← Back to Public Decks

Dutch A2 — Conversations Official

230 Dutch words for everyday conversations (CEFR A2). Opinions, feelings, personality, social interactions, making plans, and giving advice.

CEFR A2 — Elementary
At this level you can handle daily routines, describe your background. Vocabulary: ~1,200 words (cumulative).
Dutch → English 239 words 0 downloads A2
No ratings No ratings by admin@wordsonrepeat.com Jun 5, 2026

Word Preview — click grammar notes to expand

WordTranslationExample
het gesprek the conversation We hadden een goed gesprek.
We had a good conversation.
de mening the opinion Wat is jouw mening over dit onderwerp?
What is your opinion on this topic?
het idee the idea Dat is een goed idee!
That is a good idea!
de afspraak the appointment / date Ik heb morgen een afspraak bij de dokter.
I have an appointment at the doctor tomorrow.
het feest the party We organiseren een feest voor haar verjaardag.
We are organizing a party for her birthday.
de verjaardag the birthday Mijn verjaardag is in maart.
My birthday is in March.
het cadeau the gift / present Ik heb een cadeau voor je gekocht.
I bought a gift for you.
de uitnodiging the invitation Dankjewel voor de uitnodiging.
Thank you for the invitation.
het advies the advice Kun je mij advies geven?
Can you give me advice?
de reden the reason Wat is de reden voor je bezoek?
What is the reason for your visit?
het probleem the problem Ik heb een probleem met mijn computer.
I have a problem with my computer.
de oplossing the solution We moeten een oplossing zoeken.
We need to look for a solution.
het verhaal the story Zij vertelt een grappig verhaal.
She tells a funny story.
de grap the joke Hij maakt altijd grappen.
He always makes jokes.
het nieuws the news Heb je het nieuws al gehoord?
Have you heard the news yet?
het onderwerp the subject / topic Laten we van onderwerp veranderen.
Let's change the subject.
de vraag the question Mag ik je een vraag stellen?
May I ask you a question?
het antwoord the answer Ik weet het antwoord niet.
I don't know the answer.
de fout the mistake Iedereen maakt fouten.
Everyone makes mistakes.
de waarheid the truth Je moet altijd de waarheid vertellen.
You must always tell the truth.

Showing 20 of 239 words

Grammar Guide (9)
Perfectum (voltooide tijd)
Present perfect tense with hebben or zijn
Ik heb gisteren een boek gelezen en ben naar de stad gefietst.
Formed with hebben or zijn + past participle (voltooid deelwoord) at the end of the clause. Regular (weak) verbs: ge- + stem + -d or -t. Use 't kofschip rule: if stem ends in t, k, f, s, ch, p → -t: gewerkt, gefietst. Other regular verbs get -d: geleefd, gehoord, gebeld. Verbs with be-, ver-, ge-, er-, ont- skip ge-: betaald, verteld. Irregular (strong) verbs: ge- + changed stem + -en: schrijven → geschreven, lezen → gelezen, gaan → gegaan. Use zijn (not hebben) for motion/change of state: Ik ben gegaan, zij is gekomen, we zijn verhuisd.
Imperfectum (onvoltooid verleden tijd)
Simple past tense for written and formal Dutch
Ik werkte elke dag hard en mijn broer studeerde in Amsterdam.
Regular verbs: stem + -te (singular) / -ten (plural) or -de / -den depending on 't kofschip rule. If stem ends in t, k, f, s, ch, p → -te/-ten: werkte, werkten, fietste, fietsten. Other stems → -de/-den: leefde, leefden, hoorde, hoorden, belde, belden. Irregular verbs have unique past forms to memorize: zijn → was/waren, hebben → had/hadden, gaan → ging/gingen. Imperfectum is preferred in written Dutch and storytelling; perfectum is more common in everyday speech.
Persoonlijke voornaamwoorden (object)
Object pronouns for direct and indirect objects
Ik zie hem elke dag en ik geef haar altijd het boek.
Object pronouns: mij/me, jou/je, hem, haar, het, ons, jullie, hen/hun/ze. Short (unstressed) forms are most common in speech: me, je, 'm, d'r, 't, ze. Hen is formal direct object, hun is formal indirect object: Ik zie hen. Ik geef hun het boek. In everyday Dutch, ze replaces both hen and hun: Ik zie ze. Ik geef ze het boek. Word order: object pronoun comes right after the conjugated verb: Ik bel je morgen. Hij helpt ons altijd.
Voorzetsels
Common prepositions and fixed verb-preposition combinations
Ik denk aan mijn vakantie en wacht op de bus.
Common prepositions: in (in), op (on), aan (at/on), met (with), voor (for/before), van (of/from), naar (to), bij (at/near). Also: uit (from/out of), om (around/at), tot (until), door (through/by), zonder (without), tussen (between). Fixed verb+preposition combinations: denken aan (think about), wachten op (wait for), luisteren naar (listen to). More combinations: houden van (love/like), beginnen met (start with), zoeken naar (search for), kijken naar (look at). Er + preposition replaces het/dat + preposition: Ik denk eraan. (I think about it.) Ik wacht erop. (I wait for it.)
Vergelijkingen en overtreffende trap
Comparing things with comparatives and superlatives
Dit boek is beter dan dat boek, maar het duurste boek is het beste.
Comparative: adjective + -er: groot → groter, klein → kleiner, mooi → mooier, duur → duurder. Superlative: adjective + -st(e): grootst(e), kleinst(e), mooist(e), duurst(e). Add -e before nouns: het grootste huis. Comparison words: dan (than) for comparative, net zo...als (just as...as) for equality: Hij is net zo groot als ik. Irregular: goed → beter → best, veel → meer → meest, weinig → minder → minst, graag → liever → liefst. Examples: Amsterdam is groter dan Utrecht. Dit is het lekkerste eten. Zij zingt beter dan ik.
Modale werkwoorden
Modal verbs: can, must, want, may, shall
Ik kan goed zwemmen, maar ik moet eerst mijn huiswerk maken.
kunnen (can): ik kan, jij kunt/kan, hij kan, wij kunnen. Past: kon/konden. Ik kan goed koken. moeten (must): ik moet, jij moet, hij moet, wij moeten. Past: moest/moesten. Je moet op tijd komen. willen (want): ik wil, jij wilt/wil, hij wil, wij willen. Past: wilde/wilden. Wil je koffie? mogen (may): ik mag, jij mag, hij mag, wij mogen. Past: mocht/mochten. Mag ik hier zitten? zullen (shall/will): ik zal, jij zult/zal, hij zal, wij zullen. Past: zou/zouden. Zal ik je helpen?
Imperatives & Commands
Forming commands for jij, u, and group suggestions with laten we
Kom hier! Komt u binnen! Laten we beginnen!
Jij-form: use the verb stem only (no -t): Kom! Lees! Schrijf! Wacht! Geef me dat boek! U-form: same as present tense u-form (with -t): Komt u! Leest u! Gaat u zitten! Let's = Laten we + infinitive: Laten we gaan! Laten we samen eten! Laten we het proberen! Separable verbs: prefix goes to the end: Doe de deur open! Bel me op! Kom morgen terug! Examples: Luister goed! Wees voorzichtig! (zijn → wees). Ga weg! Stop daarmee!
Possessive Pronouns
Standalone possessive pronouns (de/het mijne, die van mij) used without a following noun
Is dit jouw boek? — Ja, dat is het mijne.
Formal forms: de/het mijne, de/het jouwe, de/het zijne, de/het hare, de/het onze, de/het hunne. Use de for de-words, het for het-words: De fiets is de mijne. Het boek is het mijne. Informal alternative: die/dat van mij/jou/hem/haar/ons/jullie/hen: Dat is die van mij. After zijn: Dit boek is van mij. Die auto is van hem. Deze schoenen zijn van haar. Examples: Welke is de jouwe? Die rode is de mijne. Dat huis is het onze.
Adverbs
Forming and positioning adverbs of frequency, time, and manner in Dutch
Hij fietst altijd snel naar zijn werk, maar vandaag loopt hij langzaam.
No special adverb form: adjective = adverb in Dutch. snel (fast/quickly), langzaam (slow/slowly). Frequency: altijd (always), vaak (often), soms (sometimes), zelden (rarely), nooit (never). Temporal: vandaag (today), morgen (tomorrow), gisteren (yesterday), straks (soon/later), nu (now). Adverbs sit in the middle field (after verb, before other elements): Ik ga morgen naar de stad. In position 1 they cause inversion: Soms eet ik buiten. Gisteren was het koud.

More Dutch Decks

Dutch A2 — Travel

A2 219 words

Dutch A2 — Routines

A2 219 words

Dutch A1 — Essentials

A1 260 words

Dutch A1 — Daily Life

A1 247 words

Dutch B1 — Work & Education

B1 237 words

Dutch B1 — Health & Lifestyle

B1 222 words

DocumentationPublic DecksContactPrivacyTerms