Essential Dutch words for absolute beginners (CEFR A1). Greetings, numbers, colors, pronouns, basic verbs, prepositions, and survival phrases with example sentences.
A real study session, right now. No signup.
✈️ Travelling soon? The Dutch Trip Kit is 50 phrases in 5 days, with pronunciation, free.
| Word | Translation | Example |
|---|---|---|
| hallo Universele begroeting: "Hallo, hoe gaat het?" Werkt altijd en overal. | hello | Hallo, hoe gaat het? Hello, how are you? |
| dag Twee in één: "Dag!" bij komen ÉN gaan. Ook: de dag = the day! | hello / goodbye | Dag mevrouw, tot ziens! Goodbye ma'am, see you! |
| goedemorgen Tot ongeveer 12 uur: "Goedemorgen! Lekker geslapen?" | good morning | Goedemorgen, heb je goed geslapen? Good morning, did you sleep well? |
| goedemiddag Van 12 tot ongeveer 18 uur: "Goedemiddag, kan ik u helpen?" | good afternoon | Goedemiddag, kan ik u helpen? Good afternoon, can I help you? |
| goedenavond Vanaf ongeveer 18 uur: "Goedenavond!" — bij aankomst, niet bij vertrek. | good evening | Goedenavond, welkom in het restaurant. Good evening, welcome to the restaurant. |
| goedenacht Voor het slapen: "Goedenacht, slaap lekker!" — welterusten is nog gebruikelijker! Synonyms: welterusten | good night | Goedenacht, slaap lekker! Good night, sleep well! |
| tot ziens Nette afscheidsgroet: "Tot ziens!" = letterlijk: until seeing. | goodbye | Tot ziens, het was leuk! Goodbye, it was nice! |
| tot morgen "Tot morgen!" — als je elkaar morgen weer ziet. | see you tomorrow | Tot morgen, goedenacht! See you tomorrow, good night! |
| tot later "Tot later!" — vandaag nog. Ook: tot zo! = tot heel snel. Synonyms: tot zo | see you later | Ik moet gaan, tot later! I have to go, see you later! |
| welkom "Welkom in Nederland!" "Van harte welkom!" = hartelijk welkom. | welcome | Welkom in Nederland! Welcome to the Netherlands! |
| hoiinformal Informele begroeting onder bekenden: "Hoi, alles goed?" Synonyms: hallo | hi | Hoi, leuk je te zien! Hi, nice to see you! |
| doeiinformal Informeel afscheid: "Doei!" Ook: doeg, doei doei! | bye | Doei, tot volgende week! Bye, see you next week! |
| alstublieftformal Met u: "Een koffie, alstublieft." Ook bij het geven: "Alstublieft!" = here you are. | please (formal) | Een koffie, alstublieft. A coffee, please. |
| alsjeblieftinformal Met jij: "Help me even, alsjeblieft." Van: als het je belieft! | please (informal) | Geef me dat boek, alsjeblieft. Give me that book, please. |
| dank u welformal Beleefd bedanken met u: "Dank u wel, meneer." Antwoord: graag gedaan! | thank you (formal) | Dank u wel voor uw hulp. Thank you for your help. |
| dankjewelinformal Informeel: "Dankjewel!" Korter: dank je, bedankt! Synonyms: bedankt | thank you (informal) | Dankjewel voor het cadeau! Thank you for the gift! |
| sorry "Sorry, dat was mijn fout!" — internationaal en heel gewoon in het Nederlands. | sorry | Sorry, dat was mijn fout. Sorry, that was my fault. |
| pardon "Pardon, mag ik er even langs?" — in de volle trein onmisbaar! | excuse me | Pardon, waar is het station? Excuse me, where is the station? |
| nee "Nee, dank je." = beleefd weigeren. "Nee hoor!" = welnee, echt niet! | no | Nee, dank u. No, thank you. |
| ja "Ja, graag!" = yes please! "Ja hoor!" = ja, natuurlijk — heel Nederlands! | yes | Ja, dat klopt. Yes, that is correct. |
| graag Het toverwoord: "Koffie? — Ja, graag!" "Ik wil graag…" = I would like. Antwoord op dank: graag gedaan! | gladly / please | Ja, graag! Yes, please! |
| het spijt me Echte excuses: "Het spijt me heel erg." — sterker dan sorry. | I'm sorry | Het spijt me, ik ben te laat. I'm sorry, I am late. |
| geen probleem "Sorry! — Geen probleem!" = maakt niet uit, geeft niks. | no problem | Geen probleem, het geeft niet. No problem, it doesn't matter. |
| nul 0. "nul graden" = vriespunt! "tien-nul" = 10-0 bij voetbal. | zero | Het is nul graden buiten. It is zero degrees outside. |
| een 1. Als telwoord vaak geschreven als één (met accenten) om het van 'een' (a/an) te onderscheiden! | one | Ik heb een vraag. I have one question. |
| twee 2. "twee koffie, alstublieft". | two | Ik heb twee kinderen. I have two children. |
| drie 3. "drie keer" = three times. | three | Het is drie uur. It is three o'clock. |
| vier 4. Ook werkwoord: vieren = to celebrate! | four | Er zijn vier seizoenen. There are four seasons. |
| vijf 5. "vijf euro", "om vijf uur" = at five. | five | Ik heb vijf vingers. I have five fingers. |
| zes 6. "zes dagen per week". | six | De les begint om zes uur. The class starts at six o'clock. |
| zeven 7. "zeven dagen van de week". | seven | Er zijn zeven dagen in een week. There are seven days in a week. |
| acht 8. "om acht uur" — let op: acht ook in wachten en nacht! | eight | Ik sta om acht uur op. I get up at eight o'clock. |
| negen 9. "negen maanden". | nine | De winkel opent om negen uur. The shop opens at nine o'clock. |
| tien 10. "een tien halen" = het hoogste cijfer op school — zeldzaam in Nederland! | ten | Ik heb tien euro. I have ten euros. |
| elf 11. "elf spelers" = een voetbalteam; de Elfstedentocht = de legendarische schaatstocht! | eleven | De vergadering is om elf uur. The meeting is at eleven o'clock. |
| twaalf 12. "twaalf maanden", "om twaalf uur" = middag of middernacht! | twelve | Er zijn twaalf maanden in een jaar. There are twelve months in a year. |
| dertien 13. Let op: dertien, niet "drietien"! | thirteen | Mijn dochter is dertien jaar oud. My daughter is thirteen years old. |
| veertien 14. Let op: veertien, niet "viertien"! "veertien dagen" = twee weken. | fourteen | We komen over veertien dagen. We are coming in fourteen days. |
| vijftien 15. "kwart over = vijftien minuten later". | fifteen | De bus vertrekt over vijftien minuten. The bus leaves in fifteen minutes. |
| twintig 20. Daarna omgekeerd: eenentwintig (21) = één-en-twintig — eerst de eenheid! | twenty | Ik ben twintig jaar oud. I am twenty years old. |
| dertig 30. "dertig kilometer per uur" — de zone in woonwijken! | thirty | Hij is dertig jaar oud. He is thirty years old. |
| veertig 40. Net als veertien: met ee, niet "viertig"! | forty | Mijn moeder is veertig jaar oud. My mother is forty years old. |
| vijftig 50. "Abraham zien" = vijftig worden — Nederlandse traditie met pop in de tuin! | fifty | Het kost vijftig euro. It costs fifty euros. |
| honderd 100. "honderd procent" = zeker weten! | one hundred | Er zijn honderd mensen op het feest. There are one hundred people at the party. |
| duizend 1000. "duizend keer bedankt!" = heel erg bedankt. | one thousand | Het dorp heeft duizend inwoners. The village has one thousand inhabitants. |
| rood "het rode licht" = stoppen! "rood staan" = negatief op je bankrekening! | red | De roos is rood. The rose is red. |
| blauw "de blauwe lucht", "een blauwe maandag" = heel even, kort! | blue | De lucht is blauw. The sky is blue. |
| groen "het groene licht" = doorrijden; "groene energie" = duurzaam. | green | Het gras is groen. The grass is green. |
| geel "de gele kaart" bij voetbal; "geel van de zon". | yellow | De zon is geel. The sun is yellow. |
| wit "witte wijn", "wit brood". Let op: de witte muur, het witte huis! | white | De sneeuw is wit. The snow is white. |
| zwart "zwarte koffie" = zonder melk; "zwart werken" = zonder belasting te betalen! | black | Mijn kat is zwart. My cat is black. |
| oranje DE kleur van Nederland! Koningsdag, het elftal (Oranje), alles kleurt oranje — van Willem van Oranje! | orange | Oranje is de kleur van Nederland. Orange is the color of the Netherlands. |
| bruin "bruin brood", "een bruin café" = gezellige oude kroeg! | brown | De hond is bruin. The dog is brown. |
| roze "een roze koek" — de klassieke Nederlandse traktatie! | pink | Ze draagt een roze jurk. She is wearing a pink dress. |
| grijs "grijze lucht" = typisch Nederlands weer! "grijs haar". | gray | De lucht is grijs vandaag. The sky is gray today. |
| paars "een paarse trui"; ook politiek: een paars kabinet = coalitie links + rechts! | purple | De bloemen zijn paars. The flowers are purple. |
| ik "Ik ben Anna." Altijd met werkwoord: ik ben, ik heb, ik ga. | I | Ik ben student. I am a student. |
| jijinformal Informeel: "Jij bent aardig!" Onbeklemtoond: je. Beleefd: u! | you (informal) | Jij bent mijn vriend. You are my friend. |
| uformal Beleefd, tegen onbekenden en ouderen: "Kunt u mij helpen?" Met werkwoord in 3e persoon: u heeft/hebt. | you (formal) | Hoe heet u? What is your name? |
| hij "Hij woont in Amsterdam." Onbeklemtoond gesproken: ie — "Waar woont ie?" | he | Hij woont in Amsterdam. He lives in Amsterdam. |
| zij Twee betekenissen: "Zij werkt hier." = she; "Zij werken hier." = they! Het werkwoord maakt het verschil. Onbeklemtoond: ze. | she / they | Zij is mijn zus. She is my sister. |
| het "Het regent." = it rains; ook lidwoord: het huis, het boek — het of de leren is dé uitdaging van het Nederlands! | it | Het regent vandaag. It is raining today. |
| wij "Wij komen uit Polen." Onbeklemtoond: we — "We gaan!" | we | Wij gaan naar school. We go to school. |
| jullie Meerdere personen, informeel: "Komen jullie ook?" = are you (all) coming? | you (plural) | Jullie zijn welkom. You are welcome. |
| mijn "mijn huis", "mijn fiets" — onveranderlijk, makkelijk! Gesproken: m'n. | my | Dit is mijn huis. This is my house. |
| jouwinformal "jouw boek" — met w! Jou zonder w = you (object): "voor jou". Onbeklemtoond: je. | your (informal) | Is dit jouw tas? Is this your bag? |
| zijn Twee functies! Werkwoord: ik ben, jij bent, hij is, wij zijn — was/waren, geweest. En bezit: "zijn auto" = his car! | to be / his | Ik ben blij. I am happy. |
| hebben ik heb, jij hebt, hij heeft, wij hebben. Verleden: had/hadden. "Ik heb honger!" = I'm hungry — je HEBT honger in het Nederlands! | to have | Wij hebben een hond. We have a dog. |
| gaan ik ga, jij gaat, wij gaan. Verleden: ging, gegaan. "Hoe gaat het?" = how are you? "We gaan!" = let's go! | to go | Ik ga naar huis. I am going home. |
| komen ik kom, hij komt. Verleden: kwam/kwamen, gekomen. "Ik kom uit Polen." = I'm from Poland! | to come | Wanneer kom je? When are you coming? |
| doen ik doe, hij doet. Verleden: deed/deden, gedaan. "Wat doe jij?" "Doe maar!" = ga je gang! | to do | Wat doe je vandaag? What are you doing today? |
| kunnen ik kan, jij kunt, wij kunnen. Verleden: kon/konden. "Kun je me helpen?" "Dat kan!" = that's possible — heel Nederlands! | can / to be able to | Ik kan zwemmen. I can swim. |
| willen ik wil, hij wil, wij willen. Verleden: wilde/wou. "Ik wil graag een koffie." — met graag is het beleefd! | to want | Ik wil water drinken. I want to drink water. |
| mogen ik mag, wij mogen. Verleden: mocht. "Mag ik…?" = may I? — dé beleefde vraag: "Mag ik de rekening?" | to be allowed to / may | Mag ik hier zitten? May I sit here? |
| moeten ik moet, wij moeten. Verleden: moest. "Ik moet gaan." = I have to go. "Dat moet!" = verplicht! | must / to have to | Ik moet werken. I have to work. |
| zullen ik zal, jij zult, wij zullen. Voor de toekomst en voorstellen: "Zullen we gaan?" = shall we go? | shall / will | Zullen we gaan? Shall we go? |
| maken "eten maken" = koken; "een foto maken" = to take a photo — maken, niet "nemen"! "Maakt niet uit!" = doesn't matter. | to make | Ik maak het eten klaar. I am preparing the food. |
| zien ik zie, hij ziet. Verleden: zag/zagen, gezien. "Tot ziens!" = until we see each other! "Ik zie het." = I see it. | to see | Ik zie een vogel. I see a bird. |
| weten ik weet, hij weet. Verleden: wist/wisten. "Ik weet het niet." = I don't know. Feiten: weten; personen: kennen! | to know (a fact) | Ik weet het niet. I don't know. |
| kennen "Ik ken hem goed.", "Ken je Amsterdam?" Personen en plaatsen: kennen; feiten: weten! | to know (a person/place) | Ken jij deze stad? Do you know this city? |
| spreken ik spreek, hij spreekt. Verleden: sprak/spraken, gesproken. "Spreekt u Engels?" — al zegt bijna elke Nederlander dan: yes! | to speak | Ik spreek een beetje Nederlands. I speak a little Dutch. |
| lezen ik lees, hij leest. Verleden: las/lazen, gelezen. "een boek lezen", "de krant lezen". | to read | Ik lees een boek. I am reading a book. |
| schrijven ik schrijf, hij schrijft. Verleden: schreef/schreven, geschreven. "een e-mail schrijven". | to write | Ik schrijf een brief. I am writing a letter. |
| eten ik eet, hij eet. Verleden: at/aten, gegeten. "Wat eten we vandaag?" — Nederlanders eten vroeg: om zes uur! | to eat | Wij eten om zes uur. We eat at six o'clock. |
| drinken ik drink. Verleden: dronk/dronken, gedronken. "koffie drinken" — dé Nederlandse sociale activiteit! | to drink | Ik drink thee. I drink tea. |
| werken ik werk, hij werkt. "Ik werk parttime." — Nederland is wereldkampioen parttime werken! "Het werkt!" = it works. | to work | Ik werk op kantoor. I work at an office. |
| wonen "Ik woon in Utrecht." = adres hebben. Leven = in leven zijn — twee verschillende woorden! | to live | Ik woon in Rotterdam. I live in Rotterdam. |
| leren "Nederlands leren" = to learn; ook: to teach — "Zij leert mij Nederlands." Context beslist! | to learn | Ik leer Nederlands. I am learning Dutch. |
| vinden Verleden: vond, gevonden. "Ik kan het niet vinden." = find; "Ik vind het leuk!" = I think it's nice — dé meningsuiting! | to find / to think | Ik vind het leuk. I think it's nice. |
| heten "Hoe heet je?" — "Ik heet Jan." = my name is Jan. Verleden: heette. | to be called | Ik heet Anna. My name is Anna. |
| begrijpen Verleden: begreep, begrepen. "Ik begrijp het niet." — zeg het en iedereen helpt je! Synonyms: snappen | to understand | Ik begrijp je niet. I don't understand you. |
| kopen ik koop. Verleden: kocht/kochten, gekocht. "brood kopen bij de bakker". | to buy | Ik koop brood bij de bakker. I buy bread at the bakery. |
| betalen "Kan ik pinnen?" = betalen met de kaart — in Nederland vaak alléén pinnen, geen contant! | to pay | Ik wil betalen, alstublieft. I would like to pay, please. |
| zitten ik zit. Verleden: zat/zaten, gezeten. "Ga zitten!" = have a seat! "Het zit wel goed." = it's fine! | to sit | Ik zit op de stoel. I am sitting on the chair. |
| staan ik sta, hij staat. Verleden: stond, gestaan. "De koffie staat klaar!" — in het Nederlands stáát alles! | to stand | Ik sta bij de deur. I am standing by the door. |
| liggen Verleden: lag/lagen, gelegen. "in bed liggen"; "Amsterdam ligt aan het IJ." — steden liggen! | to lie (down) | De kat ligt op het bed. The cat is lying on the bed. |
| slapen ik slaap. Verleden: sliep/sliepen, geslapen. "Slaap lekker!" = sleep well — vaste uitdrukking! | to sleep | Ik slaap acht uur per nacht. I sleep eight hours per night. |
| lopen ik loop. Verleden: liep/liepen, gelopen. "naar de winkel lopen" = te voet gaan. | to walk | Ik loop naar de winkel. I walk to the shop. |
| rijden Verleden: reed/reden, gereden. "auto rijden", "fietsen en rijden" — de trein rijdt ook! | to drive / ride | Ik rijd met de auto naar het werk. I drive to work by car. |
| wachten "Wacht even!" = wait a moment! "wachten op de trein" + op. | to wait | Ik wacht op de bus. I am waiting for the bus. |
| denken Verleden: dacht/dachten, gedacht. "Ik denk het wel." = I think so; "denken aan" = think of. | to think | Ik denk dat het goed is. I think it is good. |
| houden van "Ik hou van jou!" = I love you! "Ik hou van kaas." = I love cheese — allebei even serieus in Nederland! | to love / to like | Ik houd van muziek. I love music. |
| geven ik geef, hij geeft. Verleden: gaf/gaven, gegeven. "Geef maar!" = give it here! "les geven" = to teach. | to give | Ik geef je een cadeau. I give you a present. |
| nemen ik neem. Verleden: nam/namen, genomen. "de trein nemen", "Ik neem een tosti." = bestellen! | to take | Ik neem de trein. I take the train. |
| zeggen Verleden: zei/zeiden, gezegd. "Wat zeg je?" = what did you say? "Zeg maar jij!" = tutoyeer me maar! | to say | Wat zeg je? What are you saying? |
| vragen Verleden: vroeg/vroegen, gevraagd. "Mag ik iets vragen?" = can I ask something? De vraag = the question. | to ask | Mag ik iets vragen? May I ask something? |
| helpen Verleden: hielp, geholpen. "Kan ik u helpen?" — de winkelvraag! "Help!" = noodkreet. | to help | Kunt u mij helpen? Can you help me? |
| proberen "Ik probeer het!" = I'll try! "Probeer maar!" = give it a try! | to try | Ik probeer het opnieuw. I will try again. |
| beginnen Verleden: begon/begonnen. "De les begint om negen uur." "Begin maar!" = start! Synonyms: starten | to begin | De film begint om acht uur. The movie starts at eight o'clock. |
| stoppen "Stop!" "stoppen met roken" = quit smoking — stoppen met + werkwoord! | to stop | De bus stopt hier. The bus stops here. |
| wie "Wie is dat?" = who is that? "Wie weet!" = who knows, misschien! | who | Wie is dat? Who is that? |
| wat "Wat is dat?", "Wat leuk!" = how nice! — wat + adjectief = uitroep! | what | Wat is dit? What is this? |
| waar "Waar woon je?" = where do you live? Ook: waar = true — "Dat is waar!" | where | Waar woon je? Where do you live? |
| wanneer "Wanneer kom je?" = when are you coming? | when | Wanneer vertrek je? When are you leaving? |
| waarom "Waarom niet?" = why not? Antwoord: omdat… = because! | why | Waarom ben je laat? Why are you late? |
| hoe "Hoe gaat het?" = how are you? "Hoe heet je?", "Hoe laat is het?" = what time is it? | how | Hoe gaat het met u? How are you? |
| hoeveel "Hoeveel kost het?" = how much is it? — dé winkelvraag! | how much / how many | Hoeveel kost dit? How much does this cost? |
| welk "Welk boek?" (het-woord), "Welke fiets?" (de-woord) — welk/welke volgt het lidwoord! | which | Welk boek lees je? Which book are you reading? |
| maandag "op maandag" = on Monday(s). Dagen met kleine letter! Ma = afkorting. | Monday | Op maandag ga ik naar school. On Monday I go to school. |
| dinsdag "tot dinsdag!" = see you Tuesday. | Tuesday | Dinsdag heb ik een vergadering. On Tuesday I have a meeting. |
| woensdag "woensdagmiddag" — traditioneel vrije middag voor schoolkinderen! | Wednesday | Op woensdag ben ik vrij. On Wednesday I am free. |
| donderdag "donderdag = koopavond" in veel steden: winkels open tot 21 uur! | Thursday | Donderdag ga ik naar de markt. On Thursday I go to the market. |
| vrijdag "vrijdagmiddagborrel" = de vrijmibo — Nederlandse kantoortraditie! | Friday | Vrijdag is mijn favoriete dag. Friday is my favorite day. |
| zaterdag "zaterdag = marktdag" in veel Nederlandse steden! | Saturday | Op zaterdag ga ik boodschappen doen. On Saturday I go grocery shopping. |
| zondag "op zondag" — rustdag; let op: veel winkels pas vanaf 12 uur open! | Sunday | Zondag is een rustdag. Sunday is a day of rest. |
| januari Maand 1 — maanden met kleine letter! "in januari" = in January. | January | Januari is de eerste maand. January is the first month. |
| februari Maand 2 — de kortste maand, soms met schaatsweer! | February | Februari is een korte maand. February is a short month. |
| maart Maand 3: "maart roert zijn staart" = wisselvallig weer, zegt het spreekwoord! | March | In maart begint de lente. In March, spring begins. |
| april Maand 4: "april doet wat hij wil" — nog zo'n weerspreuk! 27 april = Koningsdag! | April | In april regent het vaak. In April it often rains. |
| mei Maand 5: 4 mei = Dodenherdenking, 5 mei = Bevrijdingsdag! | May | Mei is een mooie maand. May is a beautiful month. |
| juni Maand 6 — begin van de zomer. Let op de uitspraak naast juli! | June | In juni is het lang licht. In June it is light for a long time. |
| juli Maand 7 — vakantiemaand! Spreek uit: juli met lange ie. | July | In juli gaan we op vakantie. In July we go on vacation. |
| augustus Maand 8 — hoogzomer en bouwvak (de bouwvakantie)! | August | Augustus is vaak warm. August is often warm. |
| september Maand 9 — de scholen beginnen weer, de herfst komt eraan. | September | In september begint de school. In September, school starts. |
| oktober Maand 10 — herfstweer: regen, wind en vallende bladeren! | October | Oktober is een herfstige maand. October is an autumnal month. |
| november Maand 11 — half november komt Sinterklaas met de stoomboot aan! | November | In november is het koud. In November it is cold. |
| december Maand 12 — dé feestmaand: Sinterklaas (5 dec), Kerst en Oud en Nieuw! | December | December is de laatste maand. December is the last month. |
| groot "een groot huis", "een grote stad" — groot/grote volgt het lidwoord! | big / large | Het huis is groot. The house is big. |
| klein "een klein land" — Nederland zelf! "een kleine koffie". | small / little | De tuin is klein. The garden is small. |
| goed "Goed idee!", "Het gaat goed." = I'm fine. Vergrotende trap: beter, best! | good | Het eten is goed. The food is good. |
| slecht "slecht weer" = typisch Nederlands gespreksonderwerp! "Niet slecht!" = best goed. | bad | Het weer is slecht. The weather is bad. |
| nieuw "een nieuwe fiets", "Wat is er nieuw?" = what's new? | new | Ik heb een nieuwe fiets. I have a new bicycle. |
| oud "Hoe oud ben je?" = how old are you? "de oude stad", "Oud en Nieuw" = New Year's Eve! | old | De kerk is heel oud. The church is very old. |
| mooi "Mooi weer vandaag!", "Wat mooi!" = how beautiful! Ook: "Mooi zo!" = great! | beautiful / nice | De bloemen zijn mooi. The flowers are beautiful. |
| lelijk "een lelijk gebouw". Tegenovergestelde: mooi. | ugly | Het gebouw is lelijk. The building is ugly. |
| lang "een lange dag" = long; "Hij is lang." = tall — Nederlanders zijn de langste mensen ter wereld! | long / tall | Hij is heel lang. He is very tall. |
| kort "een korte pauze", "kort geleden" = recently. | short (length) | De les is kort. The lesson is short. |
| warm "warme chocolademelk" — na het schaatsen! "Het is warm." = boven de 20 in Nederland! | warm / hot | Het is warm vandaag. It is warm today. |
| koud "koud water", "Het is koud buiten." "Ik heb het koud!" = I'm cold — met hebben! | cold | Het water is koud. The water is cold. |
| duur "Te duur!" = too expensive. Tegenovergestelde: goedkoop. | expensive | Dit hotel is te duur. This hotel is too expensive. |
| goedkoop "goedkoop maar goed" — letterlijk: goed + koop! Vergrotende trap: goedkoper. | cheap | De markt is goedkoop. The market is cheap. |
| leuk HET Nederlandse woord: "Leuk!" = nice! "een leuk feest", "Leuk je te ontmoeten!" = nice to meet you! | fun / nice | Het feest was leuk. The party was fun. |
| belangrijk "een belangrijke vraag", "Het belangrijkste is…" = the most important thing is… | important | Dit is heel belangrijk. This is very important. |
| makkelijk "een makkelijke vraag". Formeler: gemakkelijk — betekent hetzelfde! Synonyms: gemakkelijk | easy | De oefening is makkelijk. The exercise is easy. |
| moeilijk "Nederlands is niet moeilijk!" — nou ja, een beetje. "doe niet zo moeilijk!" = don't be difficult! | difficult | Nederlands is soms moeilijk. Dutch is sometimes difficult. |
| snel "snel fietsen", "Tot snel!" = see you soon! | fast / quick | De trein is snel. The train is fast. |
| langzaam "Kunt u langzaam praten?" — dé zin voor elke taalstudent! | slow | Kunt u langzaam spreken? Can you speak slowly? |
| open "De winkel is open.", "een open vraag". Werkwoord: openen. | open | De winkel is open. The shop is open. |
| dicht "De deur is dicht." = closed; "dicht bij" = close to — twee betekenissen! Synonyms: gesloten | closed | De deur is dicht. The door is closed. |
| lekker Superwoord! "lekker eten" = tasty; "lekker weer" = nice weather; "Slaap lekker!", "Lekker belangrijk!" = ironisch: boeiend! | tasty / nice | De soep is lekker. The soup is tasty. |
| ziek "Ik ben ziek." = I'm sick; "zich ziek melden" = call in sick. | sick | Ik ben ziek. I am sick. |
| gezond "gezond eten", "Gezondheid!" = bless you — na het niezen! | healthy | Fruit is gezond. Fruit is healthy. |
| blij "Ik ben blij!" = I'm happy; "blij met" = happy with. | happy / glad | Ik ben blij. I am happy. |
| druk "Ik heb het druk." = I'm busy — met hebben! "een drukke straat" = busy street. | busy | Ik heb het druk. I am busy. |
| stil "Stil!" = quiet! "een stille straat". "stilstaan" = stand still. Synonyms: rustig | quiet | Wees stil, alsjeblieft. Be quiet, please. |
| jong "jonge mensen" = jongeren; "jonge kaas" = milde, verse kaas! | young | Zij is nog jong. She is still young. |
| in "in Nederland", "in de trein", "in januari". | in | De kat zit in de doos. The cat is sitting in the box. |
| op "op tafel" = on; "op school", "op maandag"; "Het is op!" = it's finished/gone! | on / at | Het boek ligt op de tafel. The book is on the table. |
| aan "aan tafel" = at the table; "aan het werk" = at work; "denken aan" = think of. | on / at / to | Het schilderij hangt aan de muur. The painting hangs on the wall. |
| met "koffie met melk", "met de trein" = by train; "Met Jan!" — zo neem je de telefoon op! | with | Ik ga met mijn vriend. I go with my friend. |
| voor "voor jou" = for you; "voor het huis" = in front of; "voor negen uur" = before nine! | for / in front of | Dit cadeau is voor jou. This gift is for you. |
| na "na het werk" = after work; "na u!" = after you — beleefd! | after | Na het eten gaan we wandelen. After dinner we go for a walk. |
| naar "naar huis" = home(wards); "naar Amsterdam", "luisteren naar" = listen to. | to / towards | Ik ga naar de stad. I am going to the city. |
| van "de fiets van Jan" = Jan's bike; "van negen tot vijf" = from nine to five. | of / from | Ik kom van Nederland. I come from the Netherlands. |
| bij "bij de bakker" = at the baker's; "bij mij thuis" = at my place. | at / near | Ik woon bij het park. I live near the park. |
| over "praten over" = talk about; "over vijf minuten" = in five minutes! | about / over | We praten over het weer. We are talking about the weather. |
| uit "uit Polen komen" = to be from Poland; "Het licht is uit." = off! | out of / from | Ik kom uit België. I come from Belgium. |
| tot "tot vijf uur" = until five; "Tot morgen!" = see you tomorrow! | until / to | Ik werk van negen tot vijf. I work from nine to five. |
| tussen "tussen de middag" = lunchtime — letterlijk: between noon! | between | De bank staat tussen twee stoelen. The couch is between two chairs. |
| onder "onder de tafel", "onder de achttien" = under 18. | under / below | De kat zit onder de tafel. The cat is sitting under the table. |
| boven "boven de deur" = above; "Ik ben boven!" = I'm upstairs! | above / upstairs | De slaapkamer is boven. The bedroom is upstairs. |
| naast "naast het station" = next to the station; "naast elkaar" = side by side. | next to | Ik zit naast mijn moeder. I am sitting next to my mother. |
| achter "achter het huis" = behind the house; "achter de computer" = at the computer! | behind | De tuin is achter het huis. The garden is behind the house. |
| zonder "koffie zonder suiker", "zonder probleem". | without | Koffie zonder melk, alstublieft. Coffee without milk, please. |
| tegen "tegen de muur" = against the wall; "tegen zes uur" = around six; "Ik ben tegen!" = I'm against it! | against | De fiets staat tegen de muur. The bicycle is leaning against the wall. |
| en "jij en ik", "En?" = and? so? — als vraag! | and | Ik heb een broer en een zus. I have a brother and a sister. |
| of "koffie of thee?" = or; ook: "Ik weet niet of hij komt." = whether! | or | Wil je thee of koffie? Do you want tea or coffee? |
| maar "klein maar fijn!" = small but nice; ook verzachtend: "Kom maar!" = just come! | but | Ik wil gaan, maar ik heb geen tijd. I want to go, but I have no time. |
| want "Ik ga, want het is laat." — hoofdzin volgt, makkelijker dan omdat! | because | Ik blijf thuis, want ik ben ziek. I stay home because I am sick. |
| dus "Het regent, dus ik blijf thuis." "Dus…" = so… — populair stopwoord! | so / therefore | Het regent, dus ik neem een paraplu. It is raining, so I take an umbrella. |
| ook "Ik ook!" = me too! "ook niet" = not either. | also / too | Ik wil ook mee. I want to come along too. |
| dat "Dat is mooi!" = that's nice; "Ik denk dat…" = I think that… — werkwoord naar het einde! | that | Ik denk dat het goed is. I think that it is good. |
| als "Als het regent…" = if it rains; "als kind" = as a child. | if / when | Als het regent, blijf ik thuis. If it rains, I stay home. |
| omdat "…omdat ik moe ben." — let op: werkwoord naar het einde na omdat! Synonyms: want | because | Ik leer Nederlands omdat ik in Nederland woon. I learn Dutch because I live in the Netherlands. |
| toen "Toen ik jong was…" = when I was young — alleen verleden tijd! "En toen?" = and then? | when (past) / then | Toen ik klein was, woonde ik in Utrecht. When I was small, I lived in Utrecht. |
| niet "Ik weet het niet." = I don't know. Werkwoorden en adjectieven: niet; zelfstandige naamwoorden: geen! | not | Ik ben niet moe. I am not tired. |
| geen "Ik heb geen tijd." = no time; "geen probleem!" — vóór zelfstandige naamwoorden: geen, niet niet! | no / none | Ik heb geen geld. I have no money. |
| heel "heel goed!" = very good; "heel erg bedankt" = thanks a lot! Synonyms: erg, zeer | very | Het eten is heel lekker. The food is very tasty. |
| veel "veel mensen", "veel plezier!" = have fun! Vergrotende trap: meer, meest. | much / many | Er zijn veel mensen. There are many people. |
| weinig "weinig tijd" = little time. Vergrotende trap: minder, minst. | few / little | Ik heb weinig tijd. I have little time. |
| altijd "Hij komt altijd te laat!" Tegenovergestelde: nooit. | always | Ik ontbijt altijd. I always eat breakfast. |
| nooit "Nooit gedacht!" = never thought! "beter laat dan nooit"! | never | Ik rook nooit. I never smoke. |
| soms "Soms regent het." — nou ja, in Nederland: vaak! | sometimes | Soms ga ik naar het park. Sometimes I go to the park. |
| vaak "Ik fiets vaak." = I often cycle — heel Nederlands! | often | Ik fiets vaak naar mijn werk. I often cycle to work. |
| nu "Nu of nooit!" = now or never! "tot nu toe" = so far. | now | Ik ga nu slapen. I am going to sleep now. |
| hier "Kom hier!" = come here! "hier in de buurt" = around here. | here | Ik woon hier. I live here. |
| daar "Daar is het station." = there's the station. "hier en daar" = here and there. | there | Het station is daar. The station is there. |
| vandaag "Wat doe je vandaag?" "vandaag de dag" = tegenwoordig. | today | Vandaag is het mooi weer. Today the weather is nice. |
| morgen "Tot morgen!" Let op: de morgen = ook de ochtend! "morgenochtend" = tomorrow morning. | tomorrow | Morgen ga ik naar de markt. Tomorrow I go to the market. |
| gisteren "Gisteren was het mooi weer." — eergisteren = the day before yesterday! | yesterday | Gisteren was ik thuis. Yesterday I was at home. |
| nog "Ik ben er nog." = still here; "nog niet" = not yet; "nog een keer" = once more! | still / yet | Ben je nog wakker? Are you still awake? |
| al "Ben je er al?" = already there? "al twee jaar" = for two years already. | already | Ik heb al gegeten. I have already eaten. |
| samen "Zullen we samen gaan?" = together; "samen met" = together with. | together | Wij eten samen. We eat together. |
| alleen Twee betekenissen: "Ik woon alleen." = alone; "alleen op zaterdag" = only! | alone / only | Ik woon alleen. I live alone. |
| misschien "Misschien morgen." = maybe tomorrow — het diplomatieke antwoord! | maybe / perhaps | Misschien ga ik morgen. Maybe I will go tomorrow. |
| natuurlijk "Natuurlijk!" = of course! "Ja, natuurlijk mag dat." Synonyms: uiteraard | of course | Natuurlijk mag dat! Of course that is allowed! |
| een beetje "Ik spreek een beetje Nederlands." — dé zin van elke beginner, en hij werkt! | a little bit | Ik spreek een beetje Nederlands. I speak a little bit of Dutch. |
| precies "Precies!" = exactly! "om precies negen uur" = at nine sharp. | exactly | Het is precies drie uur. It is exactly three o'clock. |
| genoeg "Het is genoeg!" = that's enough! "genoeg tijd" = enough time. | enough | Ik heb genoeg geld. I have enough money. |
| zestien 16 = zes + tien. | sixteen | Mijn zoon is zestien jaar oud. My son is sixteen years old. |
| zeventien 17 = zeven + tien. | seventeen | Er zijn zeventien leerlingen in de klas. There are seventeen students in the class. |
| achttien 18 — volwassen in Nederland! Let op dubbele t: acht + tien. | eighteen | Je mag rijden als je achttien bent. You may drive when you are eighteen. |
| negentien 19 = negen + tien. | nineteen | Het boek heeft negentien hoofdstukken. The book has nineteen chapters. |
| zestig 60. Uitspraak: begint met een s-klank! | sixty | Mijn opa is zestig jaar oud. My grandfather is sixty years old. |
| zeventig 70. "de jaren zeventig" = the seventies. | seventy | De snelheid is zeventig kilometer per uur. The speed is seventy kilometers per hour. |
| tachtig 80 — let op: TACHtig, niet "achttig"! De Tachtigjarige Oorlog = de geboorte van Nederland! | eighty | Mijn oma is tachtig jaar oud. My grandmother is eighty years old. |
| negentig 90. "de jaren negentig" = the nineties. | ninety | Er waren negentig mensen op het feest. There were ninety people at the party. |
| ons "voor ons" = for us; "ons huis" (het-woord) maar "onze auto" (de-woord)! Ook: 100 gram = een ons! | us / our | Dit is ons huis. This is our house. |
| hun "hun huis" = their house; "Ik geef het aan hun." — als onderwerp is 'hun' fout maar veelgehoord! | their / them | Dit zijn hun kinderen. These are their children. |
| haar "haar fiets" = her bike; ook: het haar = the hair! | her | Dit is haar boek. This is her book. |
| deze "deze week" (de-woord), "deze schoenen" = these. Het-woord: dit! | this / these | Deze bloemen zijn mooi. These flowers are beautiful. |
| die "die man" = that man (de-woord); "die schoenen" = those. Het-woord: dat! | that / those | Die man is mijn buurman. That man is my neighbor. |
| dit "dit boek" = this book (het-woord); "Dit is mijn vriend." = this is my friend. | this | Dit is mijn fiets. This is my bicycle. |
| zelf "Ik doe het zelf!" = I'll do it myself! "zelfgemaakt" = homemade. | self / myself | Ik doe het zelf. I do it myself. |
| iets "Wil je iets drinken?" = something to drink? "iets anders" = something else. | something | Wil je iets eten? Do you want to eat something? |
| niets "Het geeft niets!" = it doesn't matter! Gesproken vaak: niks. Synonyms: niks | nothing | Er is niets aan de hand. Nothing is wrong. |
| iedereen "Iedereen is welkom!" = everyone is welcome. | everyone | Iedereen is welkom. Everyone is welcome. |
| niemand "Er is niemand thuis." = nobody's home. | nobody | Er is niemand thuis. Nobody is home. |
| alles "Alles goed?" = everything OK? — dé standaardvraag! "Dat is alles." = that's all. | everything | Alles is goed. Everything is good. |
| thuis "Ik ben thuis." = I'm home; "thuiswerken" = work from home. Naar huis = homewards! | at home | Ik ben thuis. I am at home. |
| buiten "buiten spelen" = play outside; "naar buiten" = to go outside. | outside | De kinderen spelen buiten. The children play outside. |
| binnen "Kom binnen!" = come in! "binnen vijf minuten" = within five minutes. | inside | Kom binnen, het is koud. Come inside, it is cold. |
| rechts "naar rechts" = to the right; "rechts van de kerk" = right of the church. | right | Ga rechts bij het stoplicht. Go right at the traffic light. |
| links "naar links" = to the left; "linksaf slaan" = turn left. | left | De supermarkt is links. The supermarket is on the left. |
| rechtdoor "Ga rechtdoor!" = go straight — dé routebeschrijving! | straight ahead | Loop rechtdoor en dan links. Walk straight ahead and then left. |
| terug "Ik kom terug!" = I'll be back! "heen en terug" = there and back. | back | Ik kom morgen terug. I will come back tomorrow. |
| erg "erg leuk" = very nice; "Niet erg!" = no problem! "Wat erg!" = how terrible! Synonyms: heel | very / bad | Het is erg koud buiten. It is very cold outside. |
| bijna "bijna klaar" = almost done; "bijna nooit" = hardly ever. | almost | We zijn er bijna. We are almost there. |
| pas "pas om tien uur" = not until ten; "Ik ben er pas." = I just got here. Ook: de pas = the pass! | only just / not until | Ik ben pas begonnen. I have only just started. |
| toch Onvertaalbaar Nederlands! "Doe het toch!" = just do it; "Het is mooi, toch?" = right?; "toch niet" = surely not! | yet / still / anyway | Ik ga toch naar het feest. I am going to the party anyway. |
This deck has 260 words in total — copy it to your library to study them all.
Documentation — Public Decks — Anki Alternative — Contact — Privacy — Terms