← Back to Public Decks · Dutch Decks · Dutch vocabulary test

Dutch A2 — Routines Official

Dutch words for daily routines (CEFR A2). Household chores, cooking, shopping, hygiene, hobbies, technology, and work routines.

CEFR A2 — Elementary
At this level you can handle daily routines, describe your background. Vocabulary: ~1,200 words (cumulative).
Phrases you'll learn
How do you say “the alarm clock” in Dutch?
“the alarm clock” is “de wekker” in Dutch. For example: De wekker gaat om zes uur. — The alarm clock goes off at six o'clock.
How do you say “to get dressed” in Dutch?
“to get dressed” is “aankleden” in Dutch. For example: Ik kleed mij snel aan. — I get dressed quickly.
How do you say “to undress” in Dutch?
“to undress” is “uitkleden” in Dutch. For example: De kinderen kleden zich uit voor het bad. — The children undress for the bath.
How do you say “to brush / to clean” in Dutch?
“to brush / to clean” is “poetsen” in Dutch. For example: Ik poets mijn tanden na het eten. — I brush my teeth after eating.
Dutch → English 215 words ~22 days at 10 words/day 0 downloads A2
No ratings No ratings by admin@wordsonrepeat.com Jun 10, 2026
Try studying — no account needed

A real study session, right now. No signup.

Report issue with this deck

Word List — click grammar notes to expand

WordTranslationExample
de wekker
"de wekker zetten" = set the alarm; "De wekker gaat!" — opstaan!
the alarm clock De wekker gaat om zes uur.
The alarm clock goes off at six o'clock.
aankleden
Scheidbaar: "Ik kleed me aan." = I get dressed — kleden…aan + me!
to get dressed Ik kleed mij snel aan.
I get dressed quickly.
uitkleden
Scheidbaar: "zich uitkleden" = undress. Tegenovergestelde: aankleden.
to undress De kinderen kleden zich uit voor het bad.
The children undress for the bath.
poetsen
"tanden poetsen" = brush teeth; "de fiets poetsen" = polish the bike!
to brush / to clean Ik poets mijn tanden na het eten.
I brush my teeth after eating.
kammen
"je haar kammen" = comb your hair. De kam = the comb.
to comb Ik kam mijn haar elke ochtend.
I comb my hair every morning.
scheren
"zich scheren" = to shave: "Ik scheer me elke dag."
to shave Hij scheert zich elke ochtend.
He shaves every morning.
het bad
Het-woord: "een bad nemen" = take a bath — al douchen de meeste Nederlanders!
the bath Ik neem een warm bad.
I take a warm bath.
afwassen
Scheidbaar: "Wie wast er af?" = who's doing the dishes? — wassen…af!
to do the dishes Kun jij vanavond afwassen?
Can you do the dishes tonight?
de was
"de was doen" = do the laundry; "de was ophangen" = hang the laundry.
the laundry Ik moet nog de was doen.
I still have to do the laundry.
ophangen
Scheidbaar: "de was ophangen"; ook: "de telefoon ophangen" = hang up!
to hang up Ik hang de was buiten op.
I hang the laundry outside.
vegen
"de vloer vegen" = sweep the floor — met de bezem!
to sweep Kun je de keuken even vegen?
Can you sweep the kitchen?
afstoffen
Scheidbaar: "de kast afstoffen" = dust the cupboard — stoffen…af!
to dust Ik stof de meubels af.
I dust the furniture.
het vuilnis
Het-woord: "het vuilnis buiten zetten" = take out the trash — op de juiste dag!
Synonyms: het afval
the garbage / trash Vergeet niet het vuilnis buiten te zetten.
Don't forget to put the garbage outside.
recyclen
"glas en papier recyclen" — de glasbak staat in elke wijk!
to recycle We recyclen plastic en papier.
We recycle plastic and paper.
bakken
"een ei bakken" = fry an egg; "een taart bakken" = bake a cake — één woord!
to fry / to bake Ik bak pannenkoeken voor het avondeten.
I am making pancakes for dinner.
sudderen
"laten sudderen" = let simmer — zoals bij draadjesvlees, urenlang!
to simmer Laat de saus een uur sudderen.
Let the sauce simmer for an hour.
braden
"vlees braden" = roast meat — in de braadpan!
to roast / to fry We braden het vlees in de oven.
We roast the meat in the oven.
snijden
Verleden: sneed, gesneden. "brood snijden" = slice bread; "Pas op, niet snijden!"
to cut / to slice Ik snijd de groenten.
I cut the vegetables.
roeren
"in de pan roeren" = stir the pan; "goed roeren!" = stir well!
to stir Roer de saus goed door.
Stir the sauce well.
mengen
"alles mengen" = mix everything.
to mix Meng de bloem met de eieren.
Mix the flour with the eggs.
het recept
Het-woord: "het recept van oma" = grandma's recipe; ook: doktersrecept = prescription!
the recipe Heb je een recept voor stamppot?
Do you have a recipe for stamppot?
de bloem
Twee betekenissen: "bloem voor de pannenkoeken" = flour; "een mooie bloem" = flower!
the flour Je hebt bloem nodig voor het deeg.
You need flour for the dough.
de olie
"olie in de pan" = oil in the pan; olijfolie = olive oil.
the oil Doe een beetje olie in de pan.
Put a little oil in the pan.
de peper
"zout en peper" = salt and pepper.
the pepper Wil je peper op je eten?
Do you want pepper on your food?
de kruiden
Meervoud: "verse kruiden" = fresh herbs; "goed gekruid" = well seasoned!
the spices / herbs Ik gebruik veel kruiden in mijn eten.
I use many spices in my food.
het deeg
Het-woord: "het deeg kneden" = knead the dough — voor appeltaart!
the dough Het deeg moet een uur rijzen.
The dough needs to rise for an hour.
opwarmen
Scheidbaar: "het eten opwarmen" = reheat the food — in de magnetron!
to heat up / to reheat Ik warm de soep op.
I am heating up the soup.
invriezen
Scheidbaar: "soep invriezen" = freeze soup — vriezen…in!
to freeze Ik vries het restje in.
I freeze the leftovers.
de boodschappenlijst
"een boodschappenlijstje maken" — anders vergeet je de helft!
the shopping list Ik schrijf een boodschappenlijst.
I write a shopping list.
de kassa
"bij de kassa betalen" — of bij de zelfscankassa!
the checkout / cash register Er staat een lange rij bij de kassa.
There is a long line at the checkout.
het mandje
Het-woord (verkleinwoord): "een mandje pakken" bij de ingang van de winkel.
the basket Ik heb een mandje nodig.
I need a basket.
het winkelwagentje
Het-woord: "een muntje voor het winkelwagentje" — 50 cent of een euro erin!
the shopping cart Pak een winkelwagentje bij de ingang.
Take a shopping cart at the entrance.
de aanbieding
"in de aanbieding" = on offer — de bonusaanbiedingen zijn heilig!
the special offer / deal Er is een aanbieding op koffie.
There is a special offer on coffee.
het boodschappentasje
Het-woord: "eigen tasje mee" — plastic tasjes kosten geld!
the shopping bag Heb je een boodschappentasje bij je?
Do you have a shopping bag with you?
vers
"vers brood" = fresh bread; "verse groente van de markt"!
fresh Ik koop graag vers brood.
I like to buy fresh bread.
de houdbaarheidsdatum
"de houdbaarheidsdatum checken" — THT = tenminste houdbaar tot!
the expiration date Kijk naar de houdbaarheidsdatum.
Check the expiration date.
de sport
"aan sport doen" = do sports — voetbal, hockey en schaatsen zijn dé Nederlandse sporten!
the sport Welke sport doe jij?
Which sport do you do?
voetballen
"op zaterdag voetballen" — heel Nederland staat op het veld of langs de lijn!
to play soccer Ik voetbal elke zaterdag.
I play soccer every Saturday.
tennissen
"tennissen op de baan" — van sport een werkwoord maken: heel Nederlands!
to play tennis We tennissen in het park.
We play tennis in the park.
hardlopen
Scheidbaar: hard + lopen: "Ik loop drie keer per week hard."
Synonyms: joggen
to run / to jog Ik ga drie keer per week hardlopen.
I go running three times a week.
joggen
"joggen in het park" = jog in the park.
Synonyms: hardlopen
to jog Ik jog elke ochtend in het park.
I jog every morning in the park.
trainen
"twee keer per week trainen" = train twice a week.
to train / to work out Ik train twee keer per week.
I work out twice a week.
de sportschool
"naar de sportschool gaan" = go to the gym — sport + school!
the gym Ik ga naar de sportschool na het werk.
I go to the gym after work.
de wedstrijd
"de wedstrijd kijken" = watch the match — Oranje kijken doet heel Nederland!
the match / competition We hebben de wedstrijd gewonnen.
We won the match.
winnen
Verleden: won, gewonnen. "de wedstrijd winnen" = win the match!
to win Ons team heeft gewonnen!
Our team won!
het team
Het-woord: "in een team spelen" = play in a team; het elftal = voetbalteam!
the team Ik zit in een voetbalteam.
I am on a soccer team.
de hobby
"Wat zijn je hobby's?" = what are your hobbies? — dé kennismakingsvraag!
the hobby Fotograferen is mijn hobby.
Photography is my hobby.
tuinieren
"tuinieren in de tuin" — of in de volkstuin, het Nederlandse tuinparadijs!
to garden Mijn moeder houdt van tuinieren.
My mother loves gardening.
schilderen
"een schilderij schilderen" — het land van Rembrandt en Van Gogh! Ook: de muur schilderen.
to paint In mijn vrije tijd schilder ik.
In my free time I paint.
puzzelen
"puzzelen op zondag" — legpuzzels en cryptogrammen!
to do puzzles We puzzelen samen op zondagmiddag.
We do puzzles together on Sunday afternoon.
wandelen
"een rondje wandelen" = take a walk; de Nijmeegse Vierdaagse = het grootste wandelevenement ter wereld!
to hike / to walk We wandelen graag in het bos.
We like to hike in the forest.
kamperen
"kamperen in Frankrijk" — met de caravan, uiteraard!
to camp In de zomer gaan we kamperen.
In summer we go camping.
vissen
"vissen aan de gracht" = fishing — ook meervoud van de vis!
to fish Hij vist elke zondag in het meer.
He fishes every Sunday at the lake.
schaatsen
DE Nederlandse wintersport! Zodra het vriest: iedereen het ijs op. De Elfstedentocht = de droom!
to ice skate In de winter gaan we schaatsen.
In winter we go ice skating.
de laptop
"op de laptop werken" = work on the laptop.
the laptop Ik werk op mijn laptop.
I work on my laptop.
de tablet
"op de tablet lezen" = read on the tablet.
the tablet De kinderen spelen op de tablet.
The children play on the tablet.
het wachtwoord
Het-woord: wacht + woord: "je wachtwoord invoeren" = enter your password.
the password Ik ben mijn wachtwoord vergeten.
I have forgotten my password.
de wifi
"Wat is het wifi-wachtwoord?" — dé eerste vraag overal! Uitspraak: [wiefie]!
the wifi Wat is het wifiwachtwoord?
What is the wifi password?
het scherm
Het-woord: "te veel schermtijd" = too much screen time!
the screen Het scherm van mijn telefoon is kapot.
The screen of my phone is broken.
de app
"een app downloaden"; "Ik app je!" = I'll text you — appen is een werkwoord geworden!
the app Ik gebruik een app om Nederlands te leren.
I use an app to learn Dutch.
downloaden
"een bestand downloaden" — Engels werkwoord, Nederlands vervoegd: gedownload!
to download Je kunt de app gratis downloaden.
You can download the app for free.
het e-mailadres
Het-woord: "je e-mailadres achterlaten" = leave your email address.
the email address Wat is je e-mailadres?
What is your email address?
de printer
"De printer doet het niet!" = the printer isn't working — universeel drama!
the printer De printer werkt niet.
The printer is not working.
printen
"een document printen" = print a document.
Synonyms: afdrukken
to print Ik moet dit document printen.
I have to print this document.
opladen
Scheidbaar: "mijn telefoon opladen" = charge my phone — laden…op!
to charge (battery) Ik moet mijn telefoon opladen.
I have to charge my phone.
de oplader
"Mag ik je oplader lenen?" = can I borrow your charger?
the charger Heb jij een oplader voor mij?
Do you have a charger for me?
de batterij
"De batterij is bijna leeg!" = battery almost dead!
the battery De batterij is bijna leeg.
The battery is almost empty.
het internet
Het-woord: "op internet zoeken" = search online — Nederland heeft supersnelle verbindingen!
the internet Ik zoek het op het internet.
I look it up on the internet.
zoeken
Verleden: zocht, gezocht. "zoeken naar" = search for; "even googelen"!
to search Ik zoek informatie op internet.
I search for information on the internet.
de baan
"een nieuwe baan" = a new job; ook: de tennisbaan, de schaatsbaan = court/rink!
the job Ik heb een nieuwe baan gevonden.
I found a new job.
het kantoor
Het-woord: "op kantoor werken" = work at the office — of thuis, sinds corona!
the office Ik werk op een groot kantoor.
I work in a big office.
de vergadering
"in een vergadering zitten" — Nederland vergadert graag én lang (het poldermodel)!
the meeting De vergadering begint om tien uur.
The meeting starts at ten o'clock.
de pauze
"pauze nemen" = take a break; "de lunchpauze" — vaak maar een half uur!
the break We hebben een uur pauze.
We have a one-hour break.
overwerken
"moeten overwerken" = have to work overtime — Nederlanders doen het liever niet: om vijf uur naar huis!
to work overtime Ik moet vanavond overwerken.
I have to work overtime tonight.
de deadline
"de deadline halen" = meet the deadline — Engels leenwoord, Nederlandse stress!
the deadline De deadline is volgende week vrijdag.
The deadline is next Friday.
het salaris
Het-woord: "salaris onderhandelen" — plus 8% vakantiegeld in mei: Nederlandse traditie!
Synonyms: het loon
the salary Mijn salaris wordt elke maand gestort.
My salary is deposited every month.
de baas
"mijn baas" = my boss; "zelf de baas zijn" = be your own boss!
the boss Mijn baas is heel aardig.
My boss is very kind.
het contract
Het-woord: "een contract tekenen" = sign a contract.
the contract Ik heb een contract voor een jaar.
I have a contract for one year.
solliciteren
"solliciteren naar een baan" = apply for a job — met brief en cv!
to apply (for a job) Ik ga solliciteren bij dat bedrijf.
I am going to apply at that company.
het bedrijf
Het-woord: "bij een groot bedrijf werken" = work at a big company. Meervoud: bedrijven.
the company Het bedrijf heeft honderd werknemers.
The company has a hundred employees.
de klant
"De klant is koning!" = the customer is king!
the customer / client De klant is altijd koning.
The customer is always king.
de taak
"een taak afmaken" = finish a task; "taken verdelen" = divide tasks.
the task Ik heb veel taken vandaag.
I have many tasks today.
het project
Het-woord: "aan een project werken" = work on a project.
the project We werken aan een nieuw project.
We are working on a new project.
de lunchpauze
"tijdens de lunchpauze" — een broodje en een glas melk, en door!
the lunch break Ik eet een broodje in de lunchpauze.
I eat a sandwich during lunch break.
de werkdag
"een lange werkdag" = a long workday; "na de werkdag" = after work.
the workday Een werkdag duurt acht uur.
A workday lasts eight hours.
de vrije dag
"een vrije dag nemen" = take a day off — veel Nederlanders werken parttime: papadag!
the day off Morgen heb ik een vrije dag.
Tomorrow I have a day off.
het huishouden
Het-woord: "het huishouden doen" = do the housework.
the household We verdelen het huishouden.
We divide the household chores.
de boodschappen
Meervoud: "boodschappen doen" = grocery shopping — dagelijks vers halen!
the groceries Ik ga de boodschappen halen.
I am going to get the groceries.
de vrije tijd
"in mijn vrije tijd" = in my free time — sport, hobby's, gezelligheid!
the free time / leisure In mijn vrije tijd lees ik graag.
In my free time I like to read.
ontspannen
"even ontspannen" = relax a bit; ook adjectief: "heel ontspannen" = very relaxed!
to relax In het weekend ontspan ik op de bank.
On the weekend I relax on the couch.
vervelen
"zich vervelen" = to be bored: "Ik verveel me!" = I'm bored!
to bore / to be bored Ik verveel mij nooit.
I am never bored.
oefenen
"Nederlands oefenen" = practice Dutch — oefening baart kunst!
to practice Ik oefen elke dag piano.
I practice piano every day.
verzamelen
"postzegels verzamelen" = collect stamps. De verzameling = the collection.
to collect Mijn zoon verzamelt postzegels.
My son collects stamps.
het spelletje
Het-woord: "een spelletje doen" = play a game — bordspellen op de gezellige avond!
the game Zullen we een spelletje doen?
Shall we play a game?
het tijdschrift
Het-woord: tijd + schrift: "een tijdschrift lezen" = read a magazine.
the magazine Ik lees een tijdschrift in de trein.
I read a magazine on the train.
de krant
"de krant lezen" — bij het ontbijt! De Telegraaf, AD, NRC, Volkskrant.
the newspaper Ik lees elke ochtend de krant.
I read the newspaper every morning.
de film
"een film kijken" = watch a movie; "een leuke film" = a nice movie.
the movie / film Zullen we vanavond een film kijken?
Shall we watch a movie tonight?
de serie
"een serie bingewatchen" — ook in het Nederlands een werkwoord!
the (TV) series Ik kijk een nieuwe serie op Netflix.
I am watching a new series on Netflix.
het concert
Het-woord: "naar een concert gaan" — het Concertgebouw is wereldberoemd!
the concert We gaan naar een concert in Amsterdam.
We are going to a concert in Amsterdam.
de bioscoop
"naar de bioscoop gaan" = go to the movies — films met ondertiteling, nooit nagesynchroniseerd!
the cinema Zullen we naar de bioscoop gaan?
Shall we go to the cinema?
het lied
Het-woord: "een lied zingen"; informeel: het liedje. Meervoud: liederen!
Synonyms: het liedje
the song Dat is een mooi lied.
That is a beautiful song.
de muziek
"naar muziek luisteren" = listen to music; "live muziek".
the music Ik luister graag naar klassieke muziek.
I like to listen to classical music.
het instrument
Het-woord: "een instrument bespelen" = play an instrument.
the instrument Speel je een muziekinstrument?
Do you play a musical instrument?
de gitaar
"gitaar spelen" = play guitar — zonder lidwoord bij spelen!
the guitar Ik leer gitaar spelen.
I am learning to play guitar.
de piano
"piano spelen" = play piano; "pianoles" = piano lessons.
the piano Zij speelt heel mooi piano.
She plays the piano very beautifully.
de krant lezen
"'s ochtends de krant lezen" — met koffie erbij: het ochtendritueel!
to read the newspaper Mijn vader leest elke ochtend de krant.
My father reads the newspaper every morning.
wekelijks
"de wekelijkse boodschappen" = the weekly groceries; "wekelijks sporten" = every week!
the weekly (routine) De wekelijkse schoonmaak is op zaterdag.
The weekly cleaning is on Saturday.
dagelijks
"het dagelijks leven" = daily life; "dagelijks fietsen" = cycle every day!
daily Ik oefen dagelijks Nederlands.
I practice Dutch daily.
het schema
Het-woord: "een druk schema" = a busy schedule; "volgens schema" = on schedule!
the schedule Mijn schema is heel druk deze week.
My schedule is very busy this week.
plannen
"de week plannen" — Nederlanders plannen ALLES, ook spontaniteit: "even in de agenda kijken!"
to plan We plannen een uitstapje voor zondag.
We are planning a trip for Sunday.
het uitstapje
Het-woord: "een leuk uitstapje" = a fun day trip — naar de Efteling bijvoorbeeld!
the outing / day trip We maken een leuk uitstapje.
We are going on a nice outing.
de maaltijd
"een warme maaltijd" = a hot meal — meestal 's avonds om zes uur!
the meal We eten drie maaltijden per dag.
We eat three meals per day.
het tussendoortje
Het-woord: tussendoor + tje = iets kleins tussen de maaltijden — een appel of een koekje!
the snack Wil je een tussendoortje?
Would you like a snack?
de snack
"een snack uit de muur" — de snackmuur van FEBO: kroket en frikandel, uniek Nederlands!
the snack (food) Ik neem een snack van de automaat.
I get a snack from the vending machine.
het huiswerk
Het-woord: "huiswerk maken" = do homework — maken, niet "doen"!
the homework De kinderen maken hun huiswerk.
The children do their homework.
de cursus
"een cursus Nederlands volgen" = take a Dutch course — goed bezig!
the course Ik volg een cursus fotografie.
I am taking a photography course.
de les
"les hebben" = have class; "rijles" = driving lesson; "zwemles"!
the lesson / class De les begint om negen uur.
The class starts at nine o'clock.
het examen
Het-woord: "examen doen" = take an exam; "geslaagd!" = passed — met de vlag en de schooltas eraan!
the exam Volgende week heb ik een examen.
Next week I have an exam.
het huisdier
Het-woord: huis + dier: "Heb je huisdieren?" = do you have pets?
the pet Wij hebben twee huisdieren.
We have two pets.
uitlaten
Scheidbaar: "de hond uitlaten" = walk the dog — laten…uit, drie keer per dag!
to walk (a dog) Ik laat de hond drie keer per dag uit.
I walk the dog three times a day.
voeren
"de kat voeren" = feed the cat; "de eendjes voeren" = feed the ducks — klassiek!
to feed Ik voer de kat elke avond.
I feed the cat every evening.
de wijk
"een rustige wijk" = a quiet neighborhood.
Synonyms: de buurt
the neighborhood Wij wonen in een rustige wijk.
We live in a quiet neighborhood.
kapot
"Mijn fiets is kapot!" = my bike is broken; "kapot moe" = dead tired!
broken De wasmachine is kapot.
The washing machine is broken.
repareren
"de fiets repareren" = fix the bike — de fietsenmaker helpt!
Synonyms: maken
to repair / to fix Kun je de fiets repareren?
Can you repair the bicycle?
netjes
"netjes opruimen" = tidy up nicely; "Netjes!" = well done!
neat / tidy Houd je kamer netjes.
Keep your room tidy.
rommelig
"een rommelige kamer" = a messy room. De rommel = the mess.
messy / untidy Zijn kamer is altijd rommelig.
His room is always messy.
opbergen
Scheidbaar: "speelgoed opbergen" = put away toys — bergen…op!
to put away / to store Berg je speelgoed op.
Put your toys away.
de plicht
"je plicht doen" = do your duty; "rechten en plichten" = rights and duties.
the duty Het is mijn plicht om te helpen.
It is my duty to help.
het ritme
Het-woord: "in een ritme komen" = get into a rhythm; "het dagritme".
the rhythm / routine Ik heb een goed dagritme.
I have a good daily routine.
de gewoonte
"een goede gewoonte" = a good habit; "uit gewoonte" = out of habit.
the habit / custom Het is een goede gewoonte om vroeg op te staan.
It is a good habit to get up early.
het medicijn
Het-woord: "medicijnen innemen" = take medicine — bij de apotheek halen.
the medicine Ik neem elke dag mijn medicijnen.
I take my medicine every day.
de afwas
"de afwas doen" = do the dishes; "de afwas staat er nog" = dishes are waiting!
the dishes (to wash) De afwas staat nog in de gootsteen.
The dishes are still in the sink.
de gootsteen
"de afwas in de gootsteen" = dishes in the sink.
the kitchen sink Zet de borden in de gootsteen.
Put the plates in the kitchen sink.
de kraan
"water uit de kraan" = tap water — in Nederland uitstekend drinkbaar!
the faucet / tap De kraan lekt.
The faucet is leaking.
de verwarming
"de verwarming aanzetten" — of een trui aantrekken, zegt de zuinige Nederlander!
the heating Zet de verwarming hoger, het is koud.
Turn up the heating, it is cold.
de bel
"Er gaat een bel!" = the doorbell rings; ook: de fietsbel — ring ring, opzij!
the doorbell De bel gaat, er is iemand aan de deur.
The doorbell rings, someone is at the door.
de klok
"op de klok kijken" = check the clock; "rond de klok" = around the clock.
the clock De klok hangt aan de muur.
The clock hangs on the wall.
de yoga
"aan yoga doen" = do yoga; "yogales op dinsdag".
the yoga Ik doe elke ochtend yoga.
I do yoga every morning.
zweten
"zweten in de sportschool" = sweat at the gym.
to sweat Ik zweet veel tijdens het sporten.
I sweat a lot during exercise.
stretchen
"stretchen na het sporten" = stretch after exercising.
to stretch Vergeet niet te stretchen na het hardlopen.
Don't forget to stretch after running.
ontbijten
"samen ontbijten" = have breakfast together — met hagelslag natuurlijk!
to have breakfast Ik ontbijt elke ochtend om half acht.
I have breakfast every morning at half past seven.
lunchen
"samen lunchen" = have lunch together — het broodjesmoment!
to have lunch Wij lunchen samen op kantoor.
We have lunch together at the office.
updaten
"de app updaten" — Engels werkwoord, Nederlands vervoegd: geüpdatet!
to update Ik moet mijn telefoon updaten.
I need to update my phone.
de was ophangen
"de was buiten ophangen" — als het droog blijft tenminste!
to hang the laundry Ik hang de was op aan de waslijn.
I hang the laundry on the clothesline.
lappen
"ramen lappen" = clean the windows — voor die typisch Nederlandse open gordijnen!
to wash (windows) Ik lap de ramen elke maand.
I wash the windows every month.
schillen
"aardappels schillen" = peel potatoes — dé Nederlandse keukentaak! De schil = the peel.
to peel Ik schil de aardappelen.
I peel the potatoes.
kloppen
"eieren kloppen" = whisk eggs; ook: "Dat klopt!" = that's right; "op de deur kloppen" = knock!
to beat / to whisk Klop de eieren goed.
Beat the eggs well.
passen
"Mag ik dit passen?" = can I try this on? "Het past!" = it fits! "Past het maandag?" = does Monday suit you?
to try on / to fit Mag ik deze broek passen?
May I try on these pants?
de maat
"Welke maat heb je?" = what size are you? "maat 42"; ook: de maat = the buddy!
the size Welke maat draag je?
What size do you wear?
ruilen
"Kan ik dit ruilen?" = can I exchange this? — bonnetje bewaren!
to exchange / to return Kan ik dit shirt ruilen?
Can I exchange this shirt?
de drogist
Kruidvat en Etos: shampoo, paracetamol, vitamientjes — géén doktersrecepten (dat is de apotheek)!
the drugstore Ik koop shampoo bij de drogist.
I buy shampoo at the drugstore.
de bal
"tegen een bal trappen" = kick a ball; "Bal!" — roep je op het voetbalveld!
the ball De jongen schopt de bal.
The boy kicks the ball.
gelijkspelen
"Het werd gelijkspel: 1-1." = it ended in a draw.
to draw / to tie We hebben gelijkgespeeld.
We tied the game.
de rommel
"Wat een rommel!" = what a mess! "rommel opruimen" = clean up the mess.
the mess / clutter Er ligt veel rommel in de woonkamer.
There is a lot of clutter in the living room.
het alarm
Het-woord: "het alarm zetten" = set the alarm; "het brandalarm" = fire alarm.
the alarm Het alarm gaat om zes uur af.
The alarm goes off at six o'clock.
de slaap
"slaap nodig hebben" = need sleep; "slaap hebben" = to be sleepy!
the sleep Ik heb behoefte aan slaap.
I need sleep.
het dutje
Het-woord: "een dutje doen" = take a nap — even de ogen dicht!
the nap Ik doe een dutje in de middag.
I take a nap in the afternoon.
de wekker zetten
"de wekker op zeven uur zetten" = set the alarm for seven.
to set the alarm Vergeet niet de wekker te zetten.
Don't forget to set the alarm.
de ochtendroutine
"mijn ochtendroutine": opstaan, douchen, ontbijten, fietsen!
the morning routine Mijn ochtendroutine duurt een uur.
My morning routine takes one hour.
het avondritueel
Het-woord: "het avondritueel van de kinderen" — tandenpoetsen, voorlezen, slapen!
the evening ritual Lezen is onderdeel van mijn avondritueel.
Reading is part of my evening ritual.
eindigen
"De les eindigt om vijf uur." = the class ends at five.
Synonyms: stoppen
to end / to finish De werkdag eindigt om vijf uur.
The workday ends at five o'clock.
besteden
"tijd besteden aan" = spend time on; "geld besteden" = spend money.
to spend (time) Ik besteed veel tijd aan mijn hobby.
I spend a lot of time on my hobby.
voorbereiden
Scheidbaar: "zich voorbereiden op" = prepare for: "Ik bereid me voor op het examen."
to prepare Ik bereid het eten voor.
I prepare the food.
uitrusten
Scheidbaar: "goed uitrusten" = rest well: "Ik rust even uit."
Synonyms: rusten
to rest In het weekend rust ik uit.
On the weekend I rest.
aan het werk
"Aan het werk!" = get to work! "Ik ben aan het werk." = I'm working.
at work / working Ik ben de hele dag aan het werk.
I have been working all day.
klaar zijn
"Ben je klaar?" = are you done? "Ik ben klaar!" = I'm finished!
to be done / finished Ik ben klaar met mijn huiswerk.
I am done with my homework.
rauw
"rauwe groente" = raw vegetables; rauwe haring — dé Nederlandse delicatesse!
raw Ik eet graag rauwe groenten.
I like to eat raw vegetables.
gebakken
"een gebakken ei" = a fried egg; "gebakken aardappeltjes"!
fried / baked Wil je een gebakken ei?
Would you like a fried egg?
bevroren
"bevroren groente" = frozen vegetables; "De gracht is bevroren!" — schaatsen!
frozen De bevroren groenten zijn ook gezond.
The frozen vegetables are also healthy.
pittig
"pittig eten" = spicy food — door de Indonesische keuken kent Nederland sambal!
spicy Dit gerecht is heel pittig.
This dish is very spicy.
zoet
"zoete stroopwafels" — vers van de markt! Ook: "een zoet kind" = a well-behaved child!
sweet De taart is heel zoet.
The cake is very sweet.
zuur
"zure appels", "zure matten" = snoep! "Wat zuur!" = how unfortunate!
sour De citroen smaakt zuur.
The lemon tastes sour.
bitter
"bittere koffie"; de bitterbal — het frituursnackje bij de borrel (niet bitter)!
bitter De koffie is een beetje bitter.
The coffee is a little bitter.
dringend
"een dringende vraag" = an urgent question; "Het is dringend!"
Synonyms: urgent
urgent Het is een dringend probleem.
It is an urgent problem.
klaar
"Het eten is klaar!" = dinner's ready! "Klaar is Kees!" = all done!
done / ready Het eten is klaar!
The food is ready!
volgend
"volgende week" = next week; "de volgende, alstublieft!" = next, please!
next Volgende week ga ik op vakantie.
Next week I'm going on vacation.
vorig
"vorige week" = last week; "de vorige keer" = last time.
last / previous Vorige maand was ik ziek.
Last month I was sick.
gewoon
Superwoord: "gewoon doen!" = just do it; "heel gewoon" = totally normal — doe maar gewoon!
normal / just Het is een gewone dag.
It is a normal day.
eigen
"mijn eigen huis" = my own house; "op eigen kracht" = on your own strength.
own Ik heb mijn eigen kamer.
I have my own room.
zo meteen
"Zo meteen kom ik!" = I'll be there in a moment; "tot zo meteen!" = see you in a bit!
Synonyms: straks
in a moment Ik kom zo meteen.
I'll be there in a moment.
elke dag
"elke dag fietsen" = cycle every day — regen of zonneschijn!
Synonyms: dagelijks
every day Ik drink elke dag koffie.
I drink coffee every day.
in de buurt
"Is er een supermarkt in de buurt?" = is there a supermarket nearby?
in the neighborhood / nearby Er is een supermarkt in de buurt.
There is a supermarket nearby.
te voet
"te voet gaan" = go on foot — of toch maar de fiets pakken?
Synonyms: lopend
on foot Ik ga te voet naar mijn werk.
I go to work on foot.
een tijdje
"een tijdje geleden" = a while ago; "voor een tijdje" = for a while.
a while Ik wacht al een tijdje.
I've been waiting for a while.
steeds vaker
"Ik fiets steeds vaker." = I cycle more and more often.
more and more often Ik kook steeds vaker zelf.
I cook by myself more and more often.
best welinformal
"best wel leuk" = quite nice — de Nederlandse afzwakker!
quite / rather Het eten was best wel lekker.
The food was quite tasty.
de routine
"de dagelijkse routine" = the daily routine — vaste prik!
the routine Ik heb een vaste ochtendroutine.
I have a fixed morning routine.
regelmatig
"regelmatig sporten" = exercise regularly; "een regelmatig leven".
regular / regularly Ik sport regelmatig.
I exercise regularly.
de wasmachine
Het apparaat waarin je vuile kleren wast.
the washing machine De wasmachine draait elke zaterdagochtend voordat wij boodschappen gaan doen.
The washing machine runs every Saturday morning before we go grocery shopping.
stofzuigen
Met een apparaat het stof van de vloer halen.
to vacuum Ik stofzuig de woonkamer altijd op vrijdag na mijn werkdag.
I always vacuum the living room on Friday after my working day.
strijken
Met een heet apparaat de kreukels uit kleren halen.
to iron Mijn vader strijkt zijn overhemden terwijl hij naar de radio luistert.
My father irons his shirts while he listens to the radio.
opvouwen
Iets dubbelvouwen zodat het kleiner en netter wordt.
Synonyms: vouwen
to fold up Na het drogen vouw ik de handdoeken netjes op en leg ze weg.
After drying I fold the towels up neatly and put them away.
aanzetteninformal
Een apparaat laten werken door op de knop te drukken.
Synonyms: inschakelen
to switch on Zet je de verwarming even aan voordat de kinderen thuiskomen?
Will you switch the heating on before the children come home?
uitzetten
Een apparaat laten stoppen met werken.
Synonyms: uitschakelen
to switch off Ik zet mijn telefoon elke avond uit voordat ik naar bed ga.
I switch my phone off every evening before I go to bed.
uitslapen
Langer in bed blijven dan gewoonlijk.
to sleep in In het weekend slaap ik uit tot een uur of tien.
At the weekend I sleep in until about ten o'clock.
herhalen
Iets nog een keer doen of zeggen.
to repeat Ik herhaal elke avond tien woorden voordat ik de les afsluit.
Every evening I repeat ten words before I finish the lesson.
de tafel dekken
Borden en bestek klaarzetten voor de maaltijd.
to set the table Mijn dochter dekt de tafel terwijl ik de soep opwarm.
My daughter sets the table while I heat up the soup.
het bed opmaken
Het dekbed en de kussens netjes leggen na het slapen.
to make the bed Ik maak elke ochtend mijn bed op voordat ik ga ontbijten.
Every morning I make my bed before I go and have breakfast.
nuttig
Handig omdat je er echt iets aan hebt.
useful Een vaste boodschappenlijst is heel nuttig als je weinig tijd hebt.
A fixed shopping list is very useful when you have little time.
slordig
Niet netjes en zonder goed op te letten.
sloppy / untidy Mijn broer werkt slordig, dus zijn bureau ziet er altijd rommelig uit.
My brother works sloppily, so his desk always looks messy.
hectisch
Heel druk en snel, met weinig rust.
hectic De ochtend met drie kinderen is bij ons altijd erg hectisch.
The morning with three children is always very hectic at our place.
chaotisch
Zonder orde, waarbij alles door elkaar loopt.
chaotic Zonder schema wordt mijn week chaotisch en vergeet ik mijn afspraken.
Without a schedule my week becomes chaotic and I forget my appointments.
stipt
Altijd precies op de afgesproken tijd.
punctual Mijn collega is heel stipt en komt nooit te laat op kantoor.
My colleague is very punctual and is never late at the office.
spontaan
Zonder plan, gewoon omdat je er zin in hebt.
spontaneous Soms doen wij iets spontaan, zoals wandelen in de buurt na het eten.
Sometimes we do something spontaneously, like walking in the neighbourhood after dinner.
meestal
Bijna elke keer, maar niet altijd.
usually / most of the time Ik ontbijt meestal om zeven uur voordat ik naar kantoor vertrek.
I usually have breakfast at seven before I leave for the office.
zelden
Bijna nooit, maar heel af en toe wel.
rarely / seldom Wij eten zelden buiten de deur, want koken is bij ons gezelliger.
We rarely eat out, because cooking is cosier for us.
tegelijk
Op hetzelfde moment, in plaats van na elkaar.
Synonyms: tegelijkertijd
at the same time Ik kan niet koken en tegelijk de was ophangen.
I cannot cook and hang up the laundry at the same time.
meteen
Direct daarna, zonder te wachten.
Synonyms: direct
immediately / right away Na het avondeten doe ik meteen de afwas in de gootsteen.
After dinner I immediately do the dishes in the sink.
ondertussen
In dezelfde tijd dat iets anders gebeurt.
Synonyms: intussen
meanwhile De rijst staat op het vuur en ondertussen snijd ik de groente.
The rice is on the stove and meanwhile I cut the vegetables.
daarna
Op het moment dat op iets anders volgt.
after that / afterwards Eerst poets ik mijn tanden en daarna zet ik de wekker.
First I brush my teeth and after that I set the alarm clock.
ten slotte
Als laatste stap, aan het einde van een rij handelingen.
finally / in the end Ik ruim de keuken op en ten slotte doe ik het licht uit.
I tidy up the kitchen and finally I turn off the light.
tussendoor
Tussen twee bezigheden in, in een korte pauze.
in between (times) Ik werk de hele middag en eet tussendoor een appel.
I work all afternoon and eat a small snack in between.
grondig
Heel precies en compleet, zonder iets over te slaan.
thorough / thoroughly Eens per maand maak ik de badkamer heel grondig schoon.
Once a month I clean the bathroom very thoroughly.
vermoeiend
Zo dat je er moe van wordt.
tiring Een lange werkdag met veel vergaderingen is echt heel vermoeiend.
A long working day with many meetings is really very tiring.
voortaan
Vanaf nu en in alle keren daarna.
from now on Voortaan zet ik mijn wekker een half uur eerder.
From now on I set my alarm clock half an hour earlier.

More Dutch Decks

Dutch A2 — Conversations

A2 239 words

Dutch A2 — Travel

A2 203 words

Dutch B1 — Society & Opinions

B1 204 words

Dutch A1 — Essentials

A1 260 words

Dutch A1 — Daily Life

A1 242 words

Dutch B1 — Work & Education

B1 206 words

DocumentationPublic DecksAnki AlternativeContactPrivacyTerms