Dutch words for daily routines (CEFR A2). Household chores, cooking, shopping, hygiene, hobbies, technology, and work routines.
A real study session, right now. No signup.
| Word | Translation | Example |
|---|---|---|
| de wekker "de wekker zetten" = set the alarm; "De wekker gaat!" — opstaan! | the alarm clock | De wekker gaat om zes uur. The alarm clock goes off at six o'clock. |
| aankleden Scheidbaar: "Ik kleed me aan." = I get dressed — kleden…aan + me! | to get dressed | Ik kleed mij snel aan. I get dressed quickly. |
| uitkleden Scheidbaar: "zich uitkleden" = undress. Tegenovergestelde: aankleden. | to undress | De kinderen kleden zich uit voor het bad. The children undress for the bath. |
| poetsen "tanden poetsen" = brush teeth; "de fiets poetsen" = polish the bike! | to brush / to clean | Ik poets mijn tanden na het eten. I brush my teeth after eating. |
| kammen "je haar kammen" = comb your hair. De kam = the comb. | to comb | Ik kam mijn haar elke ochtend. I comb my hair every morning. |
| scheren "zich scheren" = to shave: "Ik scheer me elke dag." | to shave | Hij scheert zich elke ochtend. He shaves every morning. |
| het bad Het-woord: "een bad nemen" = take a bath — al douchen de meeste Nederlanders! | the bath | Ik neem een warm bad. I take a warm bath. |
| afwassen Scheidbaar: "Wie wast er af?" = who's doing the dishes? — wassen…af! | to do the dishes | Kun jij vanavond afwassen? Can you do the dishes tonight? |
| de was "de was doen" = do the laundry; "de was ophangen" = hang the laundry. | the laundry | Ik moet nog de was doen. I still have to do the laundry. |
| ophangen Scheidbaar: "de was ophangen"; ook: "de telefoon ophangen" = hang up! | to hang up | Ik hang de was buiten op. I hang the laundry outside. |
| vegen "de vloer vegen" = sweep the floor — met de bezem! | to sweep | Kun je de keuken even vegen? Can you sweep the kitchen? |
| afstoffen Scheidbaar: "de kast afstoffen" = dust the cupboard — stoffen…af! | to dust | Ik stof de meubels af. I dust the furniture. |
| het vuilnis Het-woord: "het vuilnis buiten zetten" = take out the trash — op de juiste dag! Synonyms: het afval | the garbage / trash | Vergeet niet het vuilnis buiten te zetten. Don't forget to put the garbage outside. |
| recyclen "glas en papier recyclen" — de glasbak staat in elke wijk! | to recycle | We recyclen plastic en papier. We recycle plastic and paper. |
| bakken "een ei bakken" = fry an egg; "een taart bakken" = bake a cake — één woord! | to fry / to bake | Ik bak pannenkoeken voor het avondeten. I am making pancakes for dinner. |
| sudderen "laten sudderen" = let simmer — zoals bij draadjesvlees, urenlang! | to simmer | Laat de saus een uur sudderen. Let the sauce simmer for an hour. |
| braden "vlees braden" = roast meat — in de braadpan! | to roast / to fry | We braden het vlees in de oven. We roast the meat in the oven. |
| snijden Verleden: sneed, gesneden. "brood snijden" = slice bread; "Pas op, niet snijden!" | to cut / to slice | Ik snijd de groenten. I cut the vegetables. |
| roeren "in de pan roeren" = stir the pan; "goed roeren!" = stir well! | to stir | Roer de saus goed door. Stir the sauce well. |
| mengen "alles mengen" = mix everything. | to mix | Meng de bloem met de eieren. Mix the flour with the eggs. |
| het recept Het-woord: "het recept van oma" = grandma's recipe; ook: doktersrecept = prescription! | the recipe | Heb je een recept voor stamppot? Do you have a recipe for stamppot? |
| de bloem Twee betekenissen: "bloem voor de pannenkoeken" = flour; "een mooie bloem" = flower! | the flour | Je hebt bloem nodig voor het deeg. You need flour for the dough. |
| de olie "olie in de pan" = oil in the pan; olijfolie = olive oil. | the oil | Doe een beetje olie in de pan. Put a little oil in the pan. |
| de peper "zout en peper" = salt and pepper. | the pepper | Wil je peper op je eten? Do you want pepper on your food? |
| de kruiden Meervoud: "verse kruiden" = fresh herbs; "goed gekruid" = well seasoned! | the spices / herbs | Ik gebruik veel kruiden in mijn eten. I use many spices in my food. |
| het deeg Het-woord: "het deeg kneden" = knead the dough — voor appeltaart! | the dough | Het deeg moet een uur rijzen. The dough needs to rise for an hour. |
| opwarmen Scheidbaar: "het eten opwarmen" = reheat the food — in de magnetron! | to heat up / to reheat | Ik warm de soep op. I am heating up the soup. |
| invriezen Scheidbaar: "soep invriezen" = freeze soup — vriezen…in! | to freeze | Ik vries het restje in. I freeze the leftovers. |
| de boodschappenlijst "een boodschappenlijstje maken" — anders vergeet je de helft! | the shopping list | Ik schrijf een boodschappenlijst. I write a shopping list. |
| de kassa "bij de kassa betalen" — of bij de zelfscankassa! | the checkout / cash register | Er staat een lange rij bij de kassa. There is a long line at the checkout. |
| het mandje Het-woord (verkleinwoord): "een mandje pakken" bij de ingang van de winkel. | the basket | Ik heb een mandje nodig. I need a basket. |
| het winkelwagentje Het-woord: "een muntje voor het winkelwagentje" — 50 cent of een euro erin! | the shopping cart | Pak een winkelwagentje bij de ingang. Take a shopping cart at the entrance. |
| de aanbieding "in de aanbieding" = on offer — de bonusaanbiedingen zijn heilig! | the special offer / deal | Er is een aanbieding op koffie. There is a special offer on coffee. |
| het boodschappentasje Het-woord: "eigen tasje mee" — plastic tasjes kosten geld! | the shopping bag | Heb je een boodschappentasje bij je? Do you have a shopping bag with you? |
| vers "vers brood" = fresh bread; "verse groente van de markt"! | fresh | Ik koop graag vers brood. I like to buy fresh bread. |
| de houdbaarheidsdatum "de houdbaarheidsdatum checken" — THT = tenminste houdbaar tot! | the expiration date | Kijk naar de houdbaarheidsdatum. Check the expiration date. |
| de sport "aan sport doen" = do sports — voetbal, hockey en schaatsen zijn dé Nederlandse sporten! | the sport | Welke sport doe jij? Which sport do you do? |
| voetballen "op zaterdag voetballen" — heel Nederland staat op het veld of langs de lijn! | to play soccer | Ik voetbal elke zaterdag. I play soccer every Saturday. |
| tennissen "tennissen op de baan" — van sport een werkwoord maken: heel Nederlands! | to play tennis | We tennissen in het park. We play tennis in the park. |
| hardlopen Scheidbaar: hard + lopen: "Ik loop drie keer per week hard." Synonyms: joggen | to run / to jog | Ik ga drie keer per week hardlopen. I go running three times a week. |
| joggen "joggen in het park" = jog in the park. Synonyms: hardlopen | to jog | Ik jog elke ochtend in het park. I jog every morning in the park. |
| trainen "twee keer per week trainen" = train twice a week. | to train / to work out | Ik train twee keer per week. I work out twice a week. |
| de sportschool "naar de sportschool gaan" = go to the gym — sport + school! | the gym | Ik ga naar de sportschool na het werk. I go to the gym after work. |
| de wedstrijd "de wedstrijd kijken" = watch the match — Oranje kijken doet heel Nederland! | the match / competition | We hebben de wedstrijd gewonnen. We won the match. |
| winnen Verleden: won, gewonnen. "de wedstrijd winnen" = win the match! | to win | Ons team heeft gewonnen! Our team won! |
| het team Het-woord: "in een team spelen" = play in a team; het elftal = voetbalteam! | the team | Ik zit in een voetbalteam. I am on a soccer team. |
| de hobby "Wat zijn je hobby's?" = what are your hobbies? — dé kennismakingsvraag! | the hobby | Fotograferen is mijn hobby. Photography is my hobby. |
| tuinieren "tuinieren in de tuin" — of in de volkstuin, het Nederlandse tuinparadijs! | to garden | Mijn moeder houdt van tuinieren. My mother loves gardening. |
| schilderen "een schilderij schilderen" — het land van Rembrandt en Van Gogh! Ook: de muur schilderen. | to paint | In mijn vrije tijd schilder ik. In my free time I paint. |
| puzzelen "puzzelen op zondag" — legpuzzels en cryptogrammen! | to do puzzles | We puzzelen samen op zondagmiddag. We do puzzles together on Sunday afternoon. |
| wandelen "een rondje wandelen" = take a walk; de Nijmeegse Vierdaagse = het grootste wandelevenement ter wereld! | to hike / to walk | We wandelen graag in het bos. We like to hike in the forest. |
| kamperen "kamperen in Frankrijk" — met de caravan, uiteraard! | to camp | In de zomer gaan we kamperen. In summer we go camping. |
| vissen "vissen aan de gracht" = fishing — ook meervoud van de vis! | to fish | Hij vist elke zondag in het meer. He fishes every Sunday at the lake. |
| schaatsen DE Nederlandse wintersport! Zodra het vriest: iedereen het ijs op. De Elfstedentocht = de droom! | to ice skate | In de winter gaan we schaatsen. In winter we go ice skating. |
| de laptop "op de laptop werken" = work on the laptop. | the laptop | Ik werk op mijn laptop. I work on my laptop. |
| de tablet "op de tablet lezen" = read on the tablet. | the tablet | De kinderen spelen op de tablet. The children play on the tablet. |
| het wachtwoord Het-woord: wacht + woord: "je wachtwoord invoeren" = enter your password. | the password | Ik ben mijn wachtwoord vergeten. I have forgotten my password. |
| de wifi "Wat is het wifi-wachtwoord?" — dé eerste vraag overal! Uitspraak: [wiefie]! | the wifi | Wat is het wifiwachtwoord? What is the wifi password? |
| het scherm Het-woord: "te veel schermtijd" = too much screen time! | the screen | Het scherm van mijn telefoon is kapot. The screen of my phone is broken. |
| de app "een app downloaden"; "Ik app je!" = I'll text you — appen is een werkwoord geworden! | the app | Ik gebruik een app om Nederlands te leren. I use an app to learn Dutch. |
| downloaden "een bestand downloaden" — Engels werkwoord, Nederlands vervoegd: gedownload! | to download | Je kunt de app gratis downloaden. You can download the app for free. |
| het e-mailadres Het-woord: "je e-mailadres achterlaten" = leave your email address. | the email address | Wat is je e-mailadres? What is your email address? |
| de printer "De printer doet het niet!" = the printer isn't working — universeel drama! | the printer | De printer werkt niet. The printer is not working. |
| printen "een document printen" = print a document. Synonyms: afdrukken | to print | Ik moet dit document printen. I have to print this document. |
| opladen Scheidbaar: "mijn telefoon opladen" = charge my phone — laden…op! | to charge (battery) | Ik moet mijn telefoon opladen. I have to charge my phone. |
| de oplader "Mag ik je oplader lenen?" = can I borrow your charger? | the charger | Heb jij een oplader voor mij? Do you have a charger for me? |
| de batterij "De batterij is bijna leeg!" = battery almost dead! | the battery | De batterij is bijna leeg. The battery is almost empty. |
| het internet Het-woord: "op internet zoeken" = search online — Nederland heeft supersnelle verbindingen! | the internet | Ik zoek het op het internet. I look it up on the internet. |
| zoeken Verleden: zocht, gezocht. "zoeken naar" = search for; "even googelen"! | to search | Ik zoek informatie op internet. I search for information on the internet. |
| de baan "een nieuwe baan" = a new job; ook: de tennisbaan, de schaatsbaan = court/rink! | the job | Ik heb een nieuwe baan gevonden. I found a new job. |
| het kantoor Het-woord: "op kantoor werken" = work at the office — of thuis, sinds corona! | the office | Ik werk op een groot kantoor. I work in a big office. |
| de vergadering "in een vergadering zitten" — Nederland vergadert graag én lang (het poldermodel)! | the meeting | De vergadering begint om tien uur. The meeting starts at ten o'clock. |
| de pauze "pauze nemen" = take a break; "de lunchpauze" — vaak maar een half uur! | the break | We hebben een uur pauze. We have a one-hour break. |
| overwerken "moeten overwerken" = have to work overtime — Nederlanders doen het liever niet: om vijf uur naar huis! | to work overtime | Ik moet vanavond overwerken. I have to work overtime tonight. |
| de deadline "de deadline halen" = meet the deadline — Engels leenwoord, Nederlandse stress! | the deadline | De deadline is volgende week vrijdag. The deadline is next Friday. |
| het salaris Het-woord: "salaris onderhandelen" — plus 8% vakantiegeld in mei: Nederlandse traditie! Synonyms: het loon | the salary | Mijn salaris wordt elke maand gestort. My salary is deposited every month. |
| de baas "mijn baas" = my boss; "zelf de baas zijn" = be your own boss! | the boss | Mijn baas is heel aardig. My boss is very kind. |
| het contract Het-woord: "een contract tekenen" = sign a contract. | the contract | Ik heb een contract voor een jaar. I have a contract for one year. |
| solliciteren "solliciteren naar een baan" = apply for a job — met brief en cv! | to apply (for a job) | Ik ga solliciteren bij dat bedrijf. I am going to apply at that company. |
| het bedrijf Het-woord: "bij een groot bedrijf werken" = work at a big company. Meervoud: bedrijven. | the company | Het bedrijf heeft honderd werknemers. The company has a hundred employees. |
| de klant "De klant is koning!" = the customer is king! | the customer / client | De klant is altijd koning. The customer is always king. |
| de taak "een taak afmaken" = finish a task; "taken verdelen" = divide tasks. | the task | Ik heb veel taken vandaag. I have many tasks today. |
| het project Het-woord: "aan een project werken" = work on a project. | the project | We werken aan een nieuw project. We are working on a new project. |
| de lunchpauze "tijdens de lunchpauze" — een broodje en een glas melk, en door! | the lunch break | Ik eet een broodje in de lunchpauze. I eat a sandwich during lunch break. |
| de werkdag "een lange werkdag" = a long workday; "na de werkdag" = after work. | the workday | Een werkdag duurt acht uur. A workday lasts eight hours. |
| de vrije dag "een vrije dag nemen" = take a day off — veel Nederlanders werken parttime: papadag! | the day off | Morgen heb ik een vrije dag. Tomorrow I have a day off. |
| het huishouden Het-woord: "het huishouden doen" = do the housework. | the household | We verdelen het huishouden. We divide the household chores. |
| de boodschappen Meervoud: "boodschappen doen" = grocery shopping — dagelijks vers halen! | the groceries | Ik ga de boodschappen halen. I am going to get the groceries. |
| de vrije tijd "in mijn vrije tijd" = in my free time — sport, hobby's, gezelligheid! | the free time / leisure | In mijn vrije tijd lees ik graag. In my free time I like to read. |
| ontspannen "even ontspannen" = relax a bit; ook adjectief: "heel ontspannen" = very relaxed! | to relax | In het weekend ontspan ik op de bank. On the weekend I relax on the couch. |
| vervelen "zich vervelen" = to be bored: "Ik verveel me!" = I'm bored! | to bore / to be bored | Ik verveel mij nooit. I am never bored. |
| oefenen "Nederlands oefenen" = practice Dutch — oefening baart kunst! | to practice | Ik oefen elke dag piano. I practice piano every day. |
| verzamelen "postzegels verzamelen" = collect stamps. De verzameling = the collection. | to collect | Mijn zoon verzamelt postzegels. My son collects stamps. |
| het spelletje Het-woord: "een spelletje doen" = play a game — bordspellen op de gezellige avond! | the game | Zullen we een spelletje doen? Shall we play a game? |
| het tijdschrift Het-woord: tijd + schrift: "een tijdschrift lezen" = read a magazine. | the magazine | Ik lees een tijdschrift in de trein. I read a magazine on the train. |
| de krant "de krant lezen" — bij het ontbijt! De Telegraaf, AD, NRC, Volkskrant. | the newspaper | Ik lees elke ochtend de krant. I read the newspaper every morning. |
| de film "een film kijken" = watch a movie; "een leuke film" = a nice movie. | the movie / film | Zullen we vanavond een film kijken? Shall we watch a movie tonight? |
| de serie "een serie bingewatchen" — ook in het Nederlands een werkwoord! | the (TV) series | Ik kijk een nieuwe serie op Netflix. I am watching a new series on Netflix. |
| het concert Het-woord: "naar een concert gaan" — het Concertgebouw is wereldberoemd! | the concert | We gaan naar een concert in Amsterdam. We are going to a concert in Amsterdam. |
| de bioscoop "naar de bioscoop gaan" = go to the movies — films met ondertiteling, nooit nagesynchroniseerd! | the cinema | Zullen we naar de bioscoop gaan? Shall we go to the cinema? |
| het lied Het-woord: "een lied zingen"; informeel: het liedje. Meervoud: liederen! Synonyms: het liedje | the song | Dat is een mooi lied. That is a beautiful song. |
| de muziek "naar muziek luisteren" = listen to music; "live muziek". | the music | Ik luister graag naar klassieke muziek. I like to listen to classical music. |
| het instrument Het-woord: "een instrument bespelen" = play an instrument. | the instrument | Speel je een muziekinstrument? Do you play a musical instrument? |
| de gitaar "gitaar spelen" = play guitar — zonder lidwoord bij spelen! | the guitar | Ik leer gitaar spelen. I am learning to play guitar. |
| de piano "piano spelen" = play piano; "pianoles" = piano lessons. | the piano | Zij speelt heel mooi piano. She plays the piano very beautifully. |
| de krant lezen "'s ochtends de krant lezen" — met koffie erbij: het ochtendritueel! | to read the newspaper | Mijn vader leest elke ochtend de krant. My father reads the newspaper every morning. |
| wekelijks "de wekelijkse boodschappen" = the weekly groceries; "wekelijks sporten" = every week! | the weekly (routine) | De wekelijkse schoonmaak is op zaterdag. The weekly cleaning is on Saturday. |
| dagelijks "het dagelijks leven" = daily life; "dagelijks fietsen" = cycle every day! | daily | Ik oefen dagelijks Nederlands. I practice Dutch daily. |
| het schema Het-woord: "een druk schema" = a busy schedule; "volgens schema" = on schedule! | the schedule | Mijn schema is heel druk deze week. My schedule is very busy this week. |
| plannen "de week plannen" — Nederlanders plannen ALLES, ook spontaniteit: "even in de agenda kijken!" | to plan | We plannen een uitstapje voor zondag. We are planning a trip for Sunday. |
| het uitstapje Het-woord: "een leuk uitstapje" = a fun day trip — naar de Efteling bijvoorbeeld! | the outing / day trip | We maken een leuk uitstapje. We are going on a nice outing. |
| de maaltijd "een warme maaltijd" = a hot meal — meestal 's avonds om zes uur! | the meal | We eten drie maaltijden per dag. We eat three meals per day. |
| het tussendoortje Het-woord: tussendoor + tje = iets kleins tussen de maaltijden — een appel of een koekje! | the snack | Wil je een tussendoortje? Would you like a snack? |
| de snack "een snack uit de muur" — de snackmuur van FEBO: kroket en frikandel, uniek Nederlands! | the snack (food) | Ik neem een snack van de automaat. I get a snack from the vending machine. |
| het huiswerk Het-woord: "huiswerk maken" = do homework — maken, niet "doen"! | the homework | De kinderen maken hun huiswerk. The children do their homework. |
| de cursus "een cursus Nederlands volgen" = take a Dutch course — goed bezig! | the course | Ik volg een cursus fotografie. I am taking a photography course. |
| de les "les hebben" = have class; "rijles" = driving lesson; "zwemles"! | the lesson / class | De les begint om negen uur. The class starts at nine o'clock. |
| het examen Het-woord: "examen doen" = take an exam; "geslaagd!" = passed — met de vlag en de schooltas eraan! | the exam | Volgende week heb ik een examen. Next week I have an exam. |
| het huisdier Het-woord: huis + dier: "Heb je huisdieren?" = do you have pets? | the pet | Wij hebben twee huisdieren. We have two pets. |
| uitlaten Scheidbaar: "de hond uitlaten" = walk the dog — laten…uit, drie keer per dag! | to walk (a dog) | Ik laat de hond drie keer per dag uit. I walk the dog three times a day. |
| voeren "de kat voeren" = feed the cat; "de eendjes voeren" = feed the ducks — klassiek! | to feed | Ik voer de kat elke avond. I feed the cat every evening. |
| de wijk "een rustige wijk" = a quiet neighborhood. Synonyms: de buurt | the neighborhood | Wij wonen in een rustige wijk. We live in a quiet neighborhood. |
| kapot "Mijn fiets is kapot!" = my bike is broken; "kapot moe" = dead tired! | broken | De wasmachine is kapot. The washing machine is broken. |
| repareren "de fiets repareren" = fix the bike — de fietsenmaker helpt! Synonyms: maken | to repair / to fix | Kun je de fiets repareren? Can you repair the bicycle? |
| netjes "netjes opruimen" = tidy up nicely; "Netjes!" = well done! | neat / tidy | Houd je kamer netjes. Keep your room tidy. |
| rommelig "een rommelige kamer" = a messy room. De rommel = the mess. | messy / untidy | Zijn kamer is altijd rommelig. His room is always messy. |
| opbergen Scheidbaar: "speelgoed opbergen" = put away toys — bergen…op! | to put away / to store | Berg je speelgoed op. Put your toys away. |
| de plicht "je plicht doen" = do your duty; "rechten en plichten" = rights and duties. | the duty | Het is mijn plicht om te helpen. It is my duty to help. |
| het ritme Het-woord: "in een ritme komen" = get into a rhythm; "het dagritme". | the rhythm / routine | Ik heb een goed dagritme. I have a good daily routine. |
| de gewoonte "een goede gewoonte" = a good habit; "uit gewoonte" = out of habit. | the habit / custom | Het is een goede gewoonte om vroeg op te staan. It is a good habit to get up early. |
| het medicijn Het-woord: "medicijnen innemen" = take medicine — bij de apotheek halen. | the medicine | Ik neem elke dag mijn medicijnen. I take my medicine every day. |
| de afwas "de afwas doen" = do the dishes; "de afwas staat er nog" = dishes are waiting! | the dishes (to wash) | De afwas staat nog in de gootsteen. The dishes are still in the sink. |
| de gootsteen "de afwas in de gootsteen" = dishes in the sink. | the kitchen sink | Zet de borden in de gootsteen. Put the plates in the kitchen sink. |
| de kraan "water uit de kraan" = tap water — in Nederland uitstekend drinkbaar! | the faucet / tap | De kraan lekt. The faucet is leaking. |
| de verwarming "de verwarming aanzetten" — of een trui aantrekken, zegt de zuinige Nederlander! | the heating | Zet de verwarming hoger, het is koud. Turn up the heating, it is cold. |
| de bel "Er gaat een bel!" = the doorbell rings; ook: de fietsbel — ring ring, opzij! | the doorbell | De bel gaat, er is iemand aan de deur. The doorbell rings, someone is at the door. |
| de klok "op de klok kijken" = check the clock; "rond de klok" = around the clock. | the clock | De klok hangt aan de muur. The clock hangs on the wall. |
| de yoga "aan yoga doen" = do yoga; "yogales op dinsdag". | the yoga | Ik doe elke ochtend yoga. I do yoga every morning. |
| zweten "zweten in de sportschool" = sweat at the gym. | to sweat | Ik zweet veel tijdens het sporten. I sweat a lot during exercise. |
| stretchen "stretchen na het sporten" = stretch after exercising. | to stretch | Vergeet niet te stretchen na het hardlopen. Don't forget to stretch after running. |
| ontbijten "samen ontbijten" = have breakfast together — met hagelslag natuurlijk! | to have breakfast | Ik ontbijt elke ochtend om half acht. I have breakfast every morning at half past seven. |
| lunchen "samen lunchen" = have lunch together — het broodjesmoment! | to have lunch | Wij lunchen samen op kantoor. We have lunch together at the office. |
| updaten "de app updaten" — Engels werkwoord, Nederlands vervoegd: geüpdatet! | to update | Ik moet mijn telefoon updaten. I need to update my phone. |
| de was ophangen "de was buiten ophangen" — als het droog blijft tenminste! | to hang the laundry | Ik hang de was op aan de waslijn. I hang the laundry on the clothesline. |
| lappen "ramen lappen" = clean the windows — voor die typisch Nederlandse open gordijnen! | to wash (windows) | Ik lap de ramen elke maand. I wash the windows every month. |
| schillen "aardappels schillen" = peel potatoes — dé Nederlandse keukentaak! De schil = the peel. | to peel | Ik schil de aardappelen. I peel the potatoes. |
| kloppen "eieren kloppen" = whisk eggs; ook: "Dat klopt!" = that's right; "op de deur kloppen" = knock! | to beat / to whisk | Klop de eieren goed. Beat the eggs well. |
| passen "Mag ik dit passen?" = can I try this on? "Het past!" = it fits! "Past het maandag?" = does Monday suit you? | to try on / to fit | Mag ik deze broek passen? May I try on these pants? |
| de maat "Welke maat heb je?" = what size are you? "maat 42"; ook: de maat = the buddy! | the size | Welke maat draag je? What size do you wear? |
| ruilen "Kan ik dit ruilen?" = can I exchange this? — bonnetje bewaren! | to exchange / to return | Kan ik dit shirt ruilen? Can I exchange this shirt? |
| de drogist Kruidvat en Etos: shampoo, paracetamol, vitamientjes — géén doktersrecepten (dat is de apotheek)! | the drugstore | Ik koop shampoo bij de drogist. I buy shampoo at the drugstore. |
| de bal "tegen een bal trappen" = kick a ball; "Bal!" — roep je op het voetbalveld! | the ball | De jongen schopt de bal. The boy kicks the ball. |
| gelijkspelen "Het werd gelijkspel: 1-1." = it ended in a draw. | to draw / to tie | We hebben gelijkgespeeld. We tied the game. |
| de rommel "Wat een rommel!" = what a mess! "rommel opruimen" = clean up the mess. | the mess / clutter | Er ligt veel rommel in de woonkamer. There is a lot of clutter in the living room. |
| het alarm Het-woord: "het alarm zetten" = set the alarm; "het brandalarm" = fire alarm. | the alarm | Het alarm gaat om zes uur af. The alarm goes off at six o'clock. |
| de slaap "slaap nodig hebben" = need sleep; "slaap hebben" = to be sleepy! | the sleep | Ik heb behoefte aan slaap. I need sleep. |
| het dutje Het-woord: "een dutje doen" = take a nap — even de ogen dicht! | the nap | Ik doe een dutje in de middag. I take a nap in the afternoon. |
| de wekker zetten "de wekker op zeven uur zetten" = set the alarm for seven. | to set the alarm | Vergeet niet de wekker te zetten. Don't forget to set the alarm. |
| de ochtendroutine "mijn ochtendroutine": opstaan, douchen, ontbijten, fietsen! | the morning routine | Mijn ochtendroutine duurt een uur. My morning routine takes one hour. |
| het avondritueel Het-woord: "het avondritueel van de kinderen" — tandenpoetsen, voorlezen, slapen! | the evening ritual | Lezen is onderdeel van mijn avondritueel. Reading is part of my evening ritual. |
| eindigen "De les eindigt om vijf uur." = the class ends at five. Synonyms: stoppen | to end / to finish | De werkdag eindigt om vijf uur. The workday ends at five o'clock. |
| besteden "tijd besteden aan" = spend time on; "geld besteden" = spend money. | to spend (time) | Ik besteed veel tijd aan mijn hobby. I spend a lot of time on my hobby. |
| voorbereiden Scheidbaar: "zich voorbereiden op" = prepare for: "Ik bereid me voor op het examen." | to prepare | Ik bereid het eten voor. I prepare the food. |
| uitrusten Scheidbaar: "goed uitrusten" = rest well: "Ik rust even uit." Synonyms: rusten | to rest | In het weekend rust ik uit. On the weekend I rest. |
| aan het werk "Aan het werk!" = get to work! "Ik ben aan het werk." = I'm working. | at work / working | Ik ben de hele dag aan het werk. I have been working all day. |
| klaar zijn "Ben je klaar?" = are you done? "Ik ben klaar!" = I'm finished! | to be done / finished | Ik ben klaar met mijn huiswerk. I am done with my homework. |
| rauw "rauwe groente" = raw vegetables; rauwe haring — dé Nederlandse delicatesse! | raw | Ik eet graag rauwe groenten. I like to eat raw vegetables. |
| gebakken "een gebakken ei" = a fried egg; "gebakken aardappeltjes"! | fried / baked | Wil je een gebakken ei? Would you like a fried egg? |
| bevroren "bevroren groente" = frozen vegetables; "De gracht is bevroren!" — schaatsen! | frozen | De bevroren groenten zijn ook gezond. The frozen vegetables are also healthy. |
| pittig "pittig eten" = spicy food — door de Indonesische keuken kent Nederland sambal! | spicy | Dit gerecht is heel pittig. This dish is very spicy. |
| zoet "zoete stroopwafels" — vers van de markt! Ook: "een zoet kind" = a well-behaved child! | sweet | De taart is heel zoet. The cake is very sweet. |
| zuur "zure appels", "zure matten" = snoep! "Wat zuur!" = how unfortunate! | sour | De citroen smaakt zuur. The lemon tastes sour. |
| bitter "bittere koffie"; de bitterbal — het frituursnackje bij de borrel (niet bitter)! | bitter | De koffie is een beetje bitter. The coffee is a little bitter. |
| dringend "een dringende vraag" = an urgent question; "Het is dringend!" Synonyms: urgent | urgent | Het is een dringend probleem. It is an urgent problem. |
| klaar "Het eten is klaar!" = dinner's ready! "Klaar is Kees!" = all done! | done / ready | Het eten is klaar! The food is ready! |
| volgend "volgende week" = next week; "de volgende, alstublieft!" = next, please! | next | Volgende week ga ik op vakantie. Next week I'm going on vacation. |
| vorig "vorige week" = last week; "de vorige keer" = last time. | last / previous | Vorige maand was ik ziek. Last month I was sick. |
| gewoon Superwoord: "gewoon doen!" = just do it; "heel gewoon" = totally normal — doe maar gewoon! | normal / just | Het is een gewone dag. It is a normal day. |
| eigen "mijn eigen huis" = my own house; "op eigen kracht" = on your own strength. | own | Ik heb mijn eigen kamer. I have my own room. |
| zo meteen "Zo meteen kom ik!" = I'll be there in a moment; "tot zo meteen!" = see you in a bit! Synonyms: straks | in a moment | Ik kom zo meteen. I'll be there in a moment. |
| elke dag "elke dag fietsen" = cycle every day — regen of zonneschijn! Synonyms: dagelijks | every day | Ik drink elke dag koffie. I drink coffee every day. |
| in de buurt "Is er een supermarkt in de buurt?" = is there a supermarket nearby? | in the neighborhood / nearby | Er is een supermarkt in de buurt. There is a supermarket nearby. |
| te voet "te voet gaan" = go on foot — of toch maar de fiets pakken? Synonyms: lopend | on foot | Ik ga te voet naar mijn werk. I go to work on foot. |
| een tijdje "een tijdje geleden" = a while ago; "voor een tijdje" = for a while. | a while | Ik wacht al een tijdje. I've been waiting for a while. |
| steeds vaker "Ik fiets steeds vaker." = I cycle more and more often. | more and more often | Ik kook steeds vaker zelf. I cook by myself more and more often. |
| best welinformal "best wel leuk" = quite nice — de Nederlandse afzwakker! | quite / rather | Het eten was best wel lekker. The food was quite tasty. |
| de routine "de dagelijkse routine" = the daily routine — vaste prik! | the routine | Ik heb een vaste ochtendroutine. I have a fixed morning routine. |
| regelmatig "regelmatig sporten" = exercise regularly; "een regelmatig leven". | regular / regularly | Ik sport regelmatig. I exercise regularly. |
| de wasmachine Het apparaat waarin je vuile kleren wast. | the washing machine | De wasmachine draait elke zaterdagochtend voordat wij boodschappen gaan doen. The washing machine runs every Saturday morning before we go grocery shopping. |
| stofzuigen Met een apparaat het stof van de vloer halen. | to vacuum | Ik stofzuig de woonkamer altijd op vrijdag na mijn werkdag. I always vacuum the living room on Friday after my working day. |
| strijken Met een heet apparaat de kreukels uit kleren halen. | to iron | Mijn vader strijkt zijn overhemden terwijl hij naar de radio luistert. My father irons his shirts while he listens to the radio. |
| opvouwen Iets dubbelvouwen zodat het kleiner en netter wordt. Synonyms: vouwen | to fold up | Na het drogen vouw ik de handdoeken netjes op en leg ze weg. After drying I fold the towels up neatly and put them away. |
| aanzetteninformal Een apparaat laten werken door op de knop te drukken. Synonyms: inschakelen | to switch on | Zet je de verwarming even aan voordat de kinderen thuiskomen? Will you switch the heating on before the children come home? |
| uitzetten Een apparaat laten stoppen met werken. Synonyms: uitschakelen | to switch off | Ik zet mijn telefoon elke avond uit voordat ik naar bed ga. I switch my phone off every evening before I go to bed. |
| uitslapen Langer in bed blijven dan gewoonlijk. | to sleep in | In het weekend slaap ik uit tot een uur of tien. At the weekend I sleep in until about ten o'clock. |
| herhalen Iets nog een keer doen of zeggen. | to repeat | Ik herhaal elke avond tien woorden voordat ik de les afsluit. Every evening I repeat ten words before I finish the lesson. |
| de tafel dekken Borden en bestek klaarzetten voor de maaltijd. | to set the table | Mijn dochter dekt de tafel terwijl ik de soep opwarm. My daughter sets the table while I heat up the soup. |
| het bed opmaken Het dekbed en de kussens netjes leggen na het slapen. | to make the bed | Ik maak elke ochtend mijn bed op voordat ik ga ontbijten. Every morning I make my bed before I go and have breakfast. |
| nuttig Handig omdat je er echt iets aan hebt. | useful | Een vaste boodschappenlijst is heel nuttig als je weinig tijd hebt. A fixed shopping list is very useful when you have little time. |
| slordig Niet netjes en zonder goed op te letten. | sloppy / untidy | Mijn broer werkt slordig, dus zijn bureau ziet er altijd rommelig uit. My brother works sloppily, so his desk always looks messy. |
| hectisch Heel druk en snel, met weinig rust. | hectic | De ochtend met drie kinderen is bij ons altijd erg hectisch. The morning with three children is always very hectic at our place. |
| chaotisch Zonder orde, waarbij alles door elkaar loopt. | chaotic | Zonder schema wordt mijn week chaotisch en vergeet ik mijn afspraken. Without a schedule my week becomes chaotic and I forget my appointments. |
| stipt Altijd precies op de afgesproken tijd. | punctual | Mijn collega is heel stipt en komt nooit te laat op kantoor. My colleague is very punctual and is never late at the office. |
| spontaan Zonder plan, gewoon omdat je er zin in hebt. | spontaneous | Soms doen wij iets spontaan, zoals wandelen in de buurt na het eten. Sometimes we do something spontaneously, like walking in the neighbourhood after dinner. |
| meestal Bijna elke keer, maar niet altijd. | usually / most of the time | Ik ontbijt meestal om zeven uur voordat ik naar kantoor vertrek. I usually have breakfast at seven before I leave for the office. |
| zelden Bijna nooit, maar heel af en toe wel. | rarely / seldom | Wij eten zelden buiten de deur, want koken is bij ons gezelliger. We rarely eat out, because cooking is cosier for us. |
| tegelijk Op hetzelfde moment, in plaats van na elkaar. Synonyms: tegelijkertijd | at the same time | Ik kan niet koken en tegelijk de was ophangen. I cannot cook and hang up the laundry at the same time. |
| meteen Direct daarna, zonder te wachten. Synonyms: direct | immediately / right away | Na het avondeten doe ik meteen de afwas in de gootsteen. After dinner I immediately do the dishes in the sink. |
| ondertussen In dezelfde tijd dat iets anders gebeurt. Synonyms: intussen | meanwhile | De rijst staat op het vuur en ondertussen snijd ik de groente. The rice is on the stove and meanwhile I cut the vegetables. |
| daarna Op het moment dat op iets anders volgt. | after that / afterwards | Eerst poets ik mijn tanden en daarna zet ik de wekker. First I brush my teeth and after that I set the alarm clock. |
| ten slotte Als laatste stap, aan het einde van een rij handelingen. | finally / in the end | Ik ruim de keuken op en ten slotte doe ik het licht uit. I tidy up the kitchen and finally I turn off the light. |
| tussendoor Tussen twee bezigheden in, in een korte pauze. | in between (times) | Ik werk de hele middag en eet tussendoor een appel. I work all afternoon and eat a small snack in between. |
| grondig Heel precies en compleet, zonder iets over te slaan. | thorough / thoroughly | Eens per maand maak ik de badkamer heel grondig schoon. Once a month I clean the bathroom very thoroughly. |
| vermoeiend Zo dat je er moe van wordt. | tiring | Een lange werkdag met veel vergaderingen is echt heel vermoeiend. A long working day with many meetings is really very tiring. |
| voortaan Vanaf nu en in alle keren daarna. | from now on | Voortaan zet ik mijn wekker een half uur eerder. From now on I set my alarm clock half an hour earlier. |
Documentation — Public Decks — Anki Alternative — Contact — Privacy — Terms