← Back to Public Decks · Dutch Decks · Dutch vocabulary test

Dutch A1 — Daily Life Official

Everyday Dutch words (CEFR A1). Family, food, body parts, clothing, home, animals, weather, emotions, occupations, and transportation vocabulary.

CEFR A1 — Beginner
At this level you can introduce yourself, order food, ask directions. Vocabulary: ~500 words (cumulative).
Phrases you'll learn
How do you say “the mother” in Dutch?
“the mother” is “de moeder” in Dutch. For example: Mijn moeder kookt het eten. — My mother cooks the food.
How do you say “the father” in Dutch?
“the father” is “de vader” in Dutch. For example: Mijn vader werkt op kantoor. — My father works at an office.
How do you say “the son” in Dutch?
“the son” is “de zoon” in Dutch. For example: Hun zoon gaat naar school. — Their son goes to school.
How do you say “the daughter” in Dutch?
“the daughter” is “de dochter” in Dutch. For example: Onze dochter is vijf jaar oud. — Our daughter is five years old.
Dutch → English 242 words ~25 days at 10 words/day 0 downloads A1
No ratings No ratings by admin@wordsonrepeat.com Jun 10, 2026
Try studying — no account needed

A real study session, right now. No signup.

✈️ Travelling soon? The Dutch Trip Kit is 50 phrases in 5 days, with pronunciation, free.

Report issue with this deck

Word List — click grammar notes to expand

WordTranslationExample
de moeder
"mijn moeder" — informeel: mama, mam. Moederdag = tweede zondag van mei!
the mother Mijn moeder kookt het eten.
My mother cooks the food.
de vader
"mijn vader" — informeel: papa, pap. Vaderdag = derde zondag van juni!
the father Mijn vader werkt op kantoor.
My father works at an office.
de zoon
"onze zoon". Meervoud: zonen — maar de zon = the sun!
the son Hun zoon gaat naar school.
Their son goes to school.
de dochter
"hun dochter". Meervoud: dochters.
the daughter Onze dochter is vijf jaar oud.
Our daughter is five years old.
het kind
Het-woord! Meervoud: de kinderen. "kinderen onder de twaalf".
the child Het kind speelt in de tuin.
The child plays in the garden.
de broer
"mijn grote broer" = older brother. Niet verwarren met broek (pants)!
the brother Mijn broer is ouder dan ik.
My brother is older than me.
de zus
"mijn kleine zus" = little sister. Formeler: zuster (ook: verpleegster!).
the sister Mijn zus studeert in Leiden.
My sister studies in Leiden.
de opa
"opa en oma" — formeel: grootvader.
the grandfather Mijn opa vertelt mooie verhalen.
My grandfather tells beautiful stories.
de oma
"bij oma eten" — formeel: grootmoeder.
the grandmother Mijn oma bakt elke zondag taart.
My grandmother bakes cake every Sunday.
de man
"een aardige man" = man; "mijn man" = my husband!
the man / husband Haar man werkt in een ziekenhuis.
Her husband works in a hospital.
de vrouw
"een sterke vrouw" = woman; "mijn vrouw" = my wife!
the woman / wife Zijn vrouw is lerares.
His wife is a teacher.
het gezin
Ouders + kinderen = het gezin; de hele familie = extended family — twee woorden!
the family (nuclear) Ons gezin heeft vier personen.
Our family has four people.
de baby
"De baby slaapt." — beschuit met muisjes bij de geboorte, Nederlandse traditie!
the baby De baby slaapt in de wieg.
The baby sleeps in the crib.
de oom
"oom Jan" — de broer van je vader of moeder.
the uncle Mijn oom woont in Groningen.
My uncle lives in Groningen.
de tante
"tante Els" — de zus van je vader of moeder.
the aunt Mijn tante komt morgen op bezoek.
My aunt is visiting tomorrow.
de neef
Twee betekenissen: cousin ÉN nephew — het Nederlands maakt geen verschil!
the cousin (male) / nephew Mijn neef is even oud als ik.
My cousin is the same age as me.
de nicht
Net als neef: cousin én niece in één woord!
the cousin (female) / niece Mijn nicht woont in België.
My cousin lives in Belgium.
de vriend
"een goede vriend" = friend; "mijn vriend" = my boyfriend — context is alles!
the friend (male) Mijn vriend heet Jan.
My friend is called Jan.
de vriendin
"een vriendin van school" = friend; "mijn vriendin" = my girlfriend!
the friend (female) Mijn vriendin komt uit Duitsland.
My friend comes from Germany.
het brood
"een bruin brood" — de Nederlandse lunch is een boterham (broodje kaas)!
the bread Ik eet brood bij het ontbijt.
I eat bread at breakfast.
de kaas
Nationale trots! Gouda, Edammer, jong of oud — "een broodje kaas" is dé lunch. Kaaskop = bijnaam voor Nederlanders!
the cheese Nederlandse kaas is beroemd.
Dutch cheese is famous.
de melk
"een glas melk" — Nederlanders drinken melk bij de lunch, echt waar!
the milk Ik drink een glas melk.
I drink a glass of milk.
het water
"een glas water" — kraanwater is uitstekend in Nederland! "spa blauw" = plat water.
the water Mag ik een glas water?
May I have a glass of water?
de koffie
"Koffie?" — dé Nederlandse vraag! "koffie verkeerd" = koffie met veel melk. Op werk: koffieautomaat!
the coffee Wil je een kopje koffie?
Would you like a cup of coffee?
de thee
"een kopje thee" — met één koekje erbij, zegt het cliché!
the tea Ik drink graag thee.
I like to drink tea.
het bier
"een biertje" — het verkleinwoord hoort erbij! Heineken, Grolsch, en tegenwoordig veel speciaalbier.
the beer Nederland heeft lekker bier.
The Netherlands has tasty beer.
de wijn
"rode of witte wijn?", "een glaasje wijn".
the wine Wil je rode of witte wijn?
Do you want red or white wine?
het sap
"sinaasappelsap" = orange juice — vers geperst bij het ontbijt!
the juice Ik wil sinaasappelsap.
I want orange juice.
de soep
"erwtensoep" = snert — dé Hollandse wintersoep, zo dik dat je lepel rechtop staat!
the soup De tomatensoep is lekker.
The tomato soup is tasty.
het vlees
"vlees of vis?" — de klassieke Nederlandse maaltijd: vlees, aardappelen, groente!
the meat Ik eet niet veel vlees.
I don't eat much meat.
de vis
"verse vis" — haring met uitjes van de viskraam: rauw en heerlijk (zeggen ze)!
the fish We eten vis op vrijdag.
We eat fish on Friday.
de kip
"kip met rijst"; ook het dier: "de kip legt eieren".
the chicken Ik kook kip met rijst.
I cook chicken with rice.
de rijst
"nasi en bami" — door de Indonesische keuken eet Nederland veel rijst!
the rice Wij eten rijst bij het avondeten.
We eat rice at dinner.
de aardappel
Letterlijk: aarde + appel! De basis van de Hollandse pot — en van de friet!
the potato Nederlanders eten veel aardappelen.
Dutch people eat many potatoes.
de groente
"groente en fruit" — op de markt het goedkoopst! Meervoud: groenten/groentes.
the vegetable Ik koop verse groente op de markt.
I buy fresh vegetables at the market.
het fruit
"vers fruit" — let op: het fruit (verzamelnaam), de vrucht = één stuk!
the fruit Fruit is gezond.
Fruit is healthy.
de appel
"de Elstar" = populairste Nederlandse appel! "Een appeltje voor de dorst" = spaargeld!
the apple Ik eet elke dag een appel.
I eat an apple every day.
de suiker
"met melk en suiker?" — de koffievraag.
the sugar Wil je suiker in je koffie?
Do you want sugar in your coffee?
het zout
"zout en peper", "drop" = zoute snoep waar alleen Nederlanders van houden!
the salt Geef mij het zout, alsjeblieft.
Pass me the salt, please.
de boter
"brood met boter" — de boterham dankt er zijn naam aan!
the butter Ik doe boter op mijn brood.
I put butter on my bread.
het ei
Het-woord! Meervoud: de eieren. "een gekookt eitje" bij het ontbijt.
the egg Ik bak een ei voor het ontbijt.
I fry an egg for breakfast.
de taart
"appeltaart met slagroom" — dé Nederlandse cafébestelling! Verjaardag = taart!
the cake / pie De appeltaart is heerlijk.
The apple pie is delicious.
het ontbijt
"ontbijten met hagelslag" — chocoladehagel op brood: heel normaal in Nederland!
the breakfast Het ontbijt is om acht uur.
Breakfast is at eight o'clock.
de lunch
"lunchen tussen de middag" — meestal een broodje, kort en simpel!
the lunch We eten de lunch om twaalf uur.
We eat lunch at twelve o'clock.
het avondeten
Warm eten om zes uur — vroeg! Wie om half zeven belt, hoort: "We zitten te eten!"
the dinner Het avondeten is om zes uur.
Dinner is at six o'clock.
het hoofd
"hoofdpijn" = headache; "het hoofd koel houden" = keep a cool head!
the head Ik heb pijn in mijn hoofd.
I have a pain in my head.
het oog
Het-woord! Meervoud: de ogen. "blauwe ogen", "in het oog houden" = keep an eye on!
the eye Hij heeft blauwe ogen.
He has blue eyes.
het oor
Meervoud: de oren. "muziek in je oren"!
the ear Ik kan het niet goed horen met mijn oor.
I cannot hear well with my ear.
de neus
"een verstopte neus" = blocked nose; "neus snuiten" = blow your nose.
the nose Mijn neus is rood van de kou.
My nose is red from the cold.
de mond
"Doe je mond open!" — bij de tandarts; "Hou je mond!" = be quiet (onbeleefd)!
the mouth Doe je mond open.
Open your mouth.
de tand
"tanden poetsen" = brush teeth. Meervoud: tanden. Kies = molar!
the tooth Ik poets mijn tanden twee keer per dag.
I brush my teeth twice a day.
de hand
"een hand geven" = shake hands — de Nederlandse begroeting! Meervoud: handen.
the hand Was je handen voor het eten.
Wash your hands before eating.
de arm
"mijn arm doet pijn"; arm = ook poor — "arme mensen"!
the arm Mijn arm doet pijn.
My arm hurts.
het been
Het-woord! Meervoud: de benen. "op eigen benen staan" = zelfstandig zijn!
the leg Ik heb mijn been gebroken.
I broke my leg.
de voet
"te voet" = on foot; meervoud: voeten. Voetbal = foot + ball!
the foot Mijn voeten zijn moe.
My feet are tired.
de buik
"buikpijn" = stomachache; "een volle buik" = a full stomach.
the belly / stomach Ik heb buikpijn.
I have a stomachache.
het hart
"met heel mijn hart" = with all my heart; "een goed hart hebben".
the heart Mijn hart klopt snel.
My heart beats fast.
de jas
"Doe je jas aan!" = put on your coat — nodig in Nederland, altijd!
the coat / jacket Trek je jas aan, het is koud.
Put on your coat, it is cold.
de broek
Enkelvoud in het Nederlands: "een spijkerbroek" = jeans!
the pants / trousers Ik draag een blauwe broek.
I am wearing blue pants.
het shirt
"een wit shirt" — het Nederlands leent graag Engelse woorden!
the shirt / T-shirt Dit shirt is te klein.
This shirt is too small.
de schoen
"schoenen uit!" — bij sommige mensen thuis; "de schoen zetten" = Sinterklaastraditie!
the shoe Mijn schoenen zijn nieuw.
My shoes are new.
de sok
"een gat in mijn sok"; sokken in sandalen = de Nederlandse toerist!
the sock Ik draag warme sokken.
I am wearing warm socks.
de trui
"een warme trui" — de thermostaat lager, trui aan: heel Nederlands zuinig!
the sweater Doe een trui aan, het is koud.
Put on a sweater, it is cold.
de muts
"een wollen muts" — voor op de fiets in de winter!
the hat / beanie In de winter draag ik een muts.
In winter I wear a hat.
de tas
"een tas vol boodschappen"; fietstassen = de Nederlandse kofferbak!
the bag Mijn tas is zwaar.
My bag is heavy.
het huis
"naar huis" = homewards; "thuis" = at home. Grachtenpand = het droomhuis!
the house Ons huis heeft drie slaapkamers.
Our house has three bedrooms.
de kamer
"mijn kamer"; "op kamers wonen" = op jezelf wonen als student!
the room De kamer is groot en licht.
The room is big and bright.
de keuken
"in de keuken koken"; "de Hollandse keuken" = Dutch cuisine — ja, die bestaat!
the kitchen Ik kook in de keuken.
I cook in the kitchen.
de slaapkamer
Slaap + kamer: "een huis met drie slaapkamers".
the bedroom De slaapkamer is boven.
The bedroom is upstairs.
de woonkamer
Woon + kamer — met grote ramen en géén gordijnen dicht: typisch Nederlands!
the living room We kijken televisie in de woonkamer.
We watch television in the living room.
de badkamer
Bad + kamer: douchen, tandenpoetsen. Het toilet is vaak apart!
the bathroom De badkamer is schoon.
The bathroom is clean.
de deur
"de deur is open", "voor de deur" = at the door.
the door Doe de deur dicht, alsjeblieft.
Close the door, please.
het raam
Het-woord! Meervoud: ramen. Grote ramen zonder gordijnen — kijk gerust naar binnen!
the window Doe het raam open.
Open the window.
de trap
"de trap op" = upstairs — Nederlandse trappen zijn stijl en smal, pas op!
the stairs De trap is steil.
The stairs are steep.
de vloer
"op de vloer" = on the floor; "de begane grond" = ground floor!
the floor De vloer is schoon.
The floor is clean.
het toilet
"Waar is het toilet?" — informeel: de wc [weesee]!
Synonyms: de wc
the toilet Waar is het toilet?
Where is the toilet?
de tafel
"aan tafel!" = dinner's ready! "de tafel dekken" = set the table.
the table We eten aan de tafel.
We eat at the table.
de stoel
"Ga zitten, pak een stoel!" = have a seat.
the chair Ga op de stoel zitten.
Sit on the chair.
het bed
"naar bed gaan" = go to bed; "in bed liggen".
the bed Ik ga naar bed.
I am going to bed.
de bank
Twee betekenissen: "op de bank zitten" = couch; "geld op de bank" = bank!
the couch / sofa Ik zit op de bank.
I am sitting on the couch.
de kast
"de kledingkast" = wardrobe; "de koelkast" = fridge (koel + kast)!
the cupboard / closet De borden staan in de kast.
The plates are in the cupboard.
de lamp
"de lamp aandoen" = turn on the light — gezellige lampjes, geen fel licht!
the lamp Doe de lamp aan.
Turn on the lamp.
de spiegel
"in de spiegel kijken" = look in the mirror.
the mirror Ik kijk in de spiegel.
I look in the mirror.
het bureau
Het-woord: "aan mijn bureau werken" = at my desk; ook: office/agency!
the desk Mijn computer staat op het bureau.
My computer is on the desk.
de hond
"de hond uitlaten" = walk the dog — weer of geen weer!
the dog De hond speelt in het park.
The dog plays in the park.
de kat
"de kat van de buren"; poes = ook kat! "Er zijn meer katten dan honden in Nederland!"
Synonyms: de poes
the cat De kat slaapt op de bank.
The cat sleeps on the couch.
de vogel
"vogels kijken" = birdwatching; meervoud: vogels.
the bird De vogel zingt in de boom.
The bird sings in the tree.
het paard
Het-woord! "paardrijden" = horseback riding; het paard van Sinterklaas heet Ozosnel!
the horse Het paard staat in de wei.
The horse is in the meadow.
de koe
Meervoud: koeien! De zwart-witte koe in de wei = hét Hollandse landschap.
the cow Er zijn veel koeien in Nederland.
There are many cows in the Netherlands.
het varken
Het-woord: "het varken op de boerderij".
the pig Het varken is roze.
The pig is pink.
het dier
Het-woord! "huisdier" = pet; "dierentuin" = zoo (dieren + tuin)!
the animal Ik houd van dieren.
I love animals.
de zon
"De zon schijnt!" — en heel Nederland zit meteen op het terras!
the sun De zon schijnt.
The sun is shining.
de regen
"in de regen fietsen" — de nationale sport! Regenjas altijd mee.
the rain De regen valt de hele dag.
The rain falls all day.
de wind
"tegenwind" = headwind — de vijand van elke fietser! "windkracht 7".
the wind De wind is sterk vandaag.
The wind is strong today.
het weer
HET gespreksonderwerp: "Wat een weer, hè?" — werkt altijd! Ook: weer = again!
the weather Het weer is mooi vandaag.
The weather is nice today.
de storm
"Er komt storm!" — code oranje en de treinen rijden niet meer!
the storm Er komt een storm aan.
A storm is coming.
droog
"Het blijft droog!" = it stays dry — het beste Nederlandse weerbericht!
dry Het is droog vandaag.
It is dry today.
nat
"nat van de regen" = soaked; "natte kleren".
wet Mijn kleren zijn nat van de regen.
My clothes are wet from the rain.
het uur
Het-woord: "een half uur" = half an hour; "om drie uur" = at three!
the hour De les duurt een uur.
The lesson lasts one hour.
de minuut
"vijf minuten", "Een minuutje!" = just a minute!
the minute Wacht vijf minuten, alsjeblieft.
Wait five minutes, please.
de nacht
"'s nachts" = at night; "de hele nacht" = all night.
the night De nacht is donker.
The night is dark.
de ochtend
"'s ochtends" = in the morning. Synoniem: de morgen!
Synonyms: de morgen
the morning Ik drink koffie in de ochtend.
I drink coffee in the morning.
de middag
"'s middags" = in the afternoon; "tussen de middag" = at lunchtime!
the afternoon Ik werk in de middag.
I work in the afternoon.
de avond
"'s avonds" = in the evening; "vanavond" = tonight; "gezellige avond!"
the evening In de avond kijk ik televisie.
In the evening I watch television.
de week
"volgende week" = next week; "door de week" = on weekdays.
the week Ik werk vijf dagen per week.
I work five days per week.
de maand
"deze maand", "per maand" = monthly.
the month Deze maand is het warm.
This month it is warm.
het jaar
Het-woord! "vorig jaar" = last year; "Gelukkig Nieuwjaar!" — met oliebollen en vuurwerk!
the year Ik woon hier al twee jaar.
I have lived here for two years already.
het weekend
"Fijn weekend!" = have a nice weekend — de vrijdagmiddaggroet!
the weekend In het weekend ga ik naar het strand.
On the weekend I go to the beach.
vroeg
"vroeg opstaan" = get up early; "te vroeg" = too early.
early Ik sta vroeg op.
I get up early.
laat
"te laat" = too late; "Hoe laat is het?" = what time is it?
late Het is al laat.
It is already late.
straks
"Tot straks!" = see you later (vandaag nog)! "straks even" = in a bit.
soon / later Ik bel je straks.
I will call you soon.
de vakantie
"op vakantie gaan" — naar Frankrijk met de caravan: de Nederlandse klassieker!
the vacation / holiday We gaan op vakantie naar Spanje.
We are going on vacation to Spain.
de lente
Maart-juni: tulpen, lammetjes en de eerste terrasjes! Ook: het voorjaar.
Synonyms: het voorjaar
the spring In de lente bloeien de bloemen.
In spring the flowers bloom.
de zomer
"in de zomer" = in summer; "zomervakantie" = 6 weken vrij!
the summer In de zomer is het warm.
In summer it is warm.
de herfst
September-december: regen, wind, kastanjes. Ook: het najaar.
Synonyms: het najaar
the autumn / fall In de herfst vallen de bladeren.
In autumn the leaves fall.
de winter
"in de winter" — en heel Nederland hoopt op natuurijs voor het schaatsen!
the winter In de winter is het koud.
In winter it is cold.
boos
"boos zijn op iemand" = angry at someone; "Word niet boos!" = don't be mad!
angry Zij is boos op mij.
She is angry at me.
verdrietig
"verdrietig zijn" = to be sad. Het verdriet = the sadness.
sad Het kind is verdrietig.
The child is sad.
bang
"bang voor spinnen" = afraid of spiders — bang VOOR iets!
afraid / scared Ik ben bang voor honden.
I am afraid of dogs.
moe
"Ik ben moe." = I'm tired; "doodmoe" = dead tired!
tired Ik ben erg moe.
I am very tired.
gelukkig
Twee betekenissen: "gelukkig zijn" = to be happy; "Gelukkig!" = luckily, thank goodness!
happy / fortunately Ik ben gelukkig met mijn baan.
I am happy with my job.
verliefd
"verliefd zijn op" = in love with; "verliefd worden" = fall in love!
in love Hij is verliefd op haar.
He is in love with her.
zenuwachtig
"zenuwachtig voor het examen" = nervous — de zenuwen = the nerves!
Synonyms: nerveus
nervous Ik ben zenuwachtig voor het examen.
I am nervous about the exam.
trots
"trots op je" = proud of you — trots OP iets!
proud Ik ben trots op mijn zoon.
I am proud of my son.
tevreden
"tevreden met" = satisfied with; "een tevreden klant".
satisfied / content Ik ben tevreden met het resultaat.
I am satisfied with the result.
verrast
"aangenaam verrast" = pleasantly surprised. De verrassing = the surprise!
surprised Ik ben verrast door het cadeau.
I am surprised by the gift.
eenzaam
"zich eenzaam voelen" = feel lonely — anders dan alleen (alone)!
lonely Soms voel ik me eenzaam.
Sometimes I feel lonely.
de leraar
"de leraar Nederlands" — op de middelbare school; basisschool: de meester!
the teacher (male) De leraar geeft les in wiskunde.
The teacher teaches mathematics.
de lerares
Vrouwelijke leraar; op de basisschool: de juf!
the teacher (female) De lerares is heel aardig.
The teacher is very kind.
de dokter
"naar de dokter gaan" — in Nederland eerst altijd de huisarts! "Neem maar een paracetamolletje…"
Synonyms: de arts
the doctor Ik ga naar de dokter.
I am going to the doctor.
de verpleegkundige
De officiële term — informeler: verpleger/verpleegster.
the nurse De verpleegkundige helpt de patiënt.
The nurse helps the patient.
de agent
"een agent op straat" — de politieagent.
the police officer De agent regelt het verkeer.
The police officer directs traffic.
de kok
"de kok van het restaurant". Zelf koken? Dan ben jij de kok!
the cook / chef De kok maakt lekker eten.
The chef makes delicious food.
de student
"student aan de universiteit" — scholieren zitten op school, studenten studeren!
the student De student studeert in Amsterdam.
The student studies in Amsterdam.
de boer
"de boer op het land" — boerenkaas komt rechtstreeks van de boerderij!
the farmer De boer werkt op het land.
The farmer works on the land.
de winkelier
De eigenaar van een winkel — winkel + -ier.
the shopkeeper De winkelier opent de winkel om negen uur.
The shopkeeper opens the shop at nine o'clock.
de chauffeur
"de buschauffeur" — in Nederland zeg je 'dag' tegen de chauffeur bij het uitstappen!
the driver De chauffeur rijdt de bus.
The driver drives the bus.
de auto
"met de auto" = by car; uitspraak: [oto] of [auto], allebei goed!
the car Ik ga met de auto naar het werk.
I go to work by car.
de fiets
HET Nederlandse vervoermiddel — meer fietsen dan mensen! "op de fiets" = by bike.
the bicycle Ik fiets elke dag naar school.
I cycle to school every day.
de trein
"de trein naar Utrecht" — de NS (Nederlandse Spoorwegen), geel-blauw!
the train De trein vertrekt om tien uur.
The train departs at ten o'clock.
de bus
"de bus nemen", "met de bus" = by bus.
the bus Ik neem de bus naar de stad.
I take the bus to the city.
de tram
"tram 2 naar het centrum" — in Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Utrecht!
the tram De tram stopt bij het station.
The tram stops at the station.
het vliegtuig
Het-woord: vlieg + tuig! "met het vliegtuig" = by plane.
the airplane Het vliegtuig vertrekt om drie uur.
The airplane departs at three o'clock.
de boot
"een rondvaart met de boot" door de grachten — dé toeristenactiviteit!
the boat We varen met de boot over het meer.
We sail with the boat across the lake.
de metro
"de metro nemen" — in Amsterdam en Rotterdam.
the metro / subway Ik reis met de metro door de stad.
I travel through the city by metro.
het station
Het-woord: "op het station" = at the station; Amsterdam Centraal!
the station Het station is dichtbij.
The station is nearby.
de halte
"de bushalte", "bij de volgende halte uitstappen".
the stop De bushalte is om de hoek.
The bus stop is around the corner.
het kaartje
"een kaartje kopen" — verkleinwoord van kaart; treinkaartje, bioscoopkaartje!
the ticket Ik koop een kaartje voor de trein.
I buy a ticket for the train.
de straat
"in de straat wonen" = live on the street; "op straat" = outside!
the street De straat is lang en smal.
The street is long and narrow.
de weg
"de weg vragen" = ask the way; "onderweg" = on the way!
the road / way Weet jij de weg naar het park?
Do you know the way to the park?
de brug
"de brug is open!" — voor een boot; heel Nederland wacht regelmatig voor een open brug!
the bridge We lopen over de brug.
We walk across the bridge.
de winkel
"naar de winkel gaan" = go to the shop; "winkelen" = to shop!
the shop / store De winkel is open tot acht uur.
The shop is open until eight o'clock.
de supermarkt
"boodschappen doen bij de supermarkt" — Albert Heijn, Jumbo, Lidl!
the supermarket Ik ga naar de supermarkt.
I am going to the supermarket.
het ziekenhuis
Het-woord: zieken + huis! "in het ziekenhuis liggen" = to be in hospital.
the hospital Het ziekenhuis is in het centrum.
The hospital is in the center.
de school
"naar school gaan", "op school" = at school.
the school De school begint om half negen.
School starts at half past eight.
het park
Het-woord: "picknicken in het park" — het Vondelpark is het beroemdst!
the park Wij wandelen in het park.
We walk in the park.
het restaurant
Het-woord: "uit eten in een restaurant" = eat out.
the restaurant Wij eten in een restaurant.
We eat in a restaurant.
de kerk
"de oude kerk in het centrum" — elke stad heeft er één!
the church De kerk is heel oud.
The church is very old.
de markt
"naar de markt gaan" — zaterdag marktdag: kaas, vis, bloemen, stroopwafels!
the market Op zaterdag ga ik naar de markt.
On Saturday I go to the market.
het strand
Het-woord: "naar het strand" — Zandvoort, Scheveningen; ook met wind!
the beach In de zomer gaan we naar het strand.
In summer we go to the beach.
de gracht
Dé Amsterdamse gracht! "aan de gracht wonen" = het droomhuis. De grachtengordel = UNESCO!
the canal Amsterdam heeft mooie grachten.
Amsterdam has beautiful canals.
de telefoon
"de telefoon opnemen" = answer the phone; mobiel(tje) = mobile!
the telephone Mijn telefoon gaat over.
My phone is ringing.
de computer
"achter de computer zitten" = to be at the computer.
the computer Ik werk op de computer.
I work on the computer.
het boek
Het-woord! "een boek lezen"; de Boekenweek = jaarlijks leesfeest!
the book Ik lees een goed boek.
I am reading a good book.
de pen
"Heb je een pen voor me?" = do you have a pen?
the pen Heb je een pen voor mij?
Do you have a pen for me?
de sleutel
"de sleutel vergeten" — het klassieke drama! "de huissleutel".
the key Ik ben mijn sleutel kwijt.
I have lost my key.
het geld
Het-woord! "geld verdienen" = earn money; "geld pinnen" = withdraw cash.
the money Ik heb niet genoeg geld.
I don't have enough money.
de bril
Enkelvoud in het Nederlands! "Ik draag een bril." = I wear glasses.
the glasses Ik draag een bril.
I wear glasses.
het horloge
Het-woord: "op mijn horloge kijken" = check my watch.
the watch Mijn horloge loopt achter.
My watch is running slow.
de portemonnee
"mijn portemonnee vergeten" — uit het Frans! Ook geschreven: portemonnaie.
the wallet Mijn portemonnee zit in mijn tas.
My wallet is in my bag.
koken
"Wie kookt er vanavond?" "Het water kookt." = the water is boiling!
to cook Ik kook vanavond pasta.
I am cooking pasta tonight.
schoonmaken
Scheidbaar: "Ik maak het huis schoon." = I clean the house — maken + schoon!
to clean Ik maak het huis schoon.
I am cleaning the house.
wassen
"handen wassen", "de auto wassen"; "de was doen" = do the laundry!
to wash Ik was mijn kleren.
I wash my clothes.
douchen
"even douchen" = take a quick shower — Nederlanders douchen kort (water is duur)!
to shower Ik douche elke ochtend.
I shower every morning.
zwemmen
Verleden: zwom, gezwommen. "zwemles" — elk Nederlands kind haalt het zwemdiploma A-B-C!
to swim De kinderen zwemmen in het zwembad.
The children swim in the swimming pool.
fietsen
Hét Nederlandse werkwoord! "naar het werk fietsen" — weer of geen weer, iedereen fietst!
to cycle Ik fiets naar mijn werk.
I cycle to my work.
spelen
"buiten spelen" = play outside; "piano spelen", "een spelletje spelen".
to play De kinderen spelen buiten.
The children play outside.
luisteren
"luisteren naar muziek" — luisteren NAAR iets! "Luister!" = listen!
to listen Ik luister naar muziek.
I listen to music.
kijken
Verleden: keek, gekeken. "tv kijken", "Kijk!" = look! "even kijken…" = let me see…
to look / to watch Ik kijk naar een film.
I am watching a movie.
bellen
"Ik bel je!" = I'll call you! "even bellen met" = give a quick call.
to call (phone) Ik bel mijn moeder.
I call my mother.
zingen
Verleden: zong, gezongen. "een liedje zingen", "vals zingen" = sing out of tune!
to sing Zij zingt een lied.
She sings a song.
dansen
"de hele nacht dansen" = dance all night.
to dance Wij dansen op het feest.
We dance at the party.
tekenen
"een huis tekenen" = draw a house; ook: "een contract tekenen" = to sign!
to draw Het kind tekent een huis.
The child draws a house.
opruimen
Scheidbaar: "Ik ruim mijn kamer op." — ruimen…op! "Ruim je op?"
to tidy up Ik ruim mijn kamer op.
I tidy up my room.
boodschappen doen
"Ik ga boodschappen doen." = grocery shopping — met je eigen tas, natuurlijk!
to do grocery shopping Ik doe op zaterdag boodschappen.
I do grocery shopping on Saturday.
studeren
"geneeskunde studeren" = study medicine — aan de universiteit; huiswerk maken = leren!
to study Zij studeert aan de universiteit.
She studies at the university.
rusten
"even rusten" = take a rest. Uitrusten = to rest fully!
to rest Na het werk rust ik even.
After work I rest for a bit.
rennen
"naar de trein rennen" = run for the train — de Nederlandse sprint!
to run De kinderen rennen in het park.
The children run in the park.
opstaan
Scheidbaar: "Ik sta om zeven uur op." — staan…op! "Opstaan!" = get up!
to get up Ik sta elke dag om zeven uur op.
I get up at seven o'clock every day.
praten
"praten met vrienden" = talk with friends; "praten over" = talk about.
to talk Wij praten over het weer.
We talk about the weather.
schoon
"een schone keuken" = clean; in België betekent schoon: mooi!
clean Het huis is schoon.
The house is clean.
vies
"vieze handen" = dirty hands; "Vies!" = yuck! — ook over eten!
dirty Mijn handen zijn vies.
My hands are dirty.
dank je wel
"Dank je wel voor alles!" — los geschreven of aan elkaar: dankjewel!
Synonyms: bedankt
thank you Dank je wel voor je hulp.
Thank you for your help.
hoe gaat het
"Hoe gaat het?" — "Goed, en met jou?" = fine, and you? — het standaardritueel!
how are you Hoi! Hoe gaat het met je?
Hi! How are you?
antwoorden
"op een vraag antwoorden" = answer a question. Het antwoord = the answer.
to answer Hij antwoordt altijd snel.
He always answers quickly.
pakken
"Pak maar!" = just take it! "de trein pakken" = catch the train; "even pakken" = grab quickly.
to grab / to take Pak je jas, het regent.
Grab your jacket, it's raining.
luid
"luide muziek" = loud music. Gesproken vaker: hard!
Synonyms: hard
loud De muziek is te luid.
The music is too loud.
zacht
"een zacht kussen" = soft pillow; "zacht praten" = speak softly.
soft / gentle Dit kussen is heel zacht.
This pillow is very soft.
hard
"hard werken" = work hard; "hard praten" = talk loudly; "harde wind"!
hard / loud Het regent heel hard.
It's raining very hard.
vol
"De trein is vol." = full; "een vol programma" = a full schedule.
full De trein is vol.
The train is full.
leeg
"een leeg glas", "De batterij is leeg!" = the battery is dead!
empty De koelkast is leeg.
The fridge is empty.
ik weet het niet
"Ik weet het niet." — gesproken vaak: "Weet ik niet" of "geen idee!"
I don't know Ik weet het niet, sorry.
I don't know, sorry.
dat klopt
"Dat klopt!" = that's right — supernuttige bevestiging! Van kloppen = to knock/be correct.
that's correct Ja, dat klopt helemaal.
Yes, that's completely correct.
niet erg
"Sorry! — Niet erg!" = no worries, it's fine!
not bad / no problem Het is niet erg, maak je geen zorgen.
It's not bad, don't worry.
heel graag
"Wil je mee? — Heel graag!" = I'd love to!
with pleasure / very much Wil je koffie? Heel graag!
Would you like coffee? Very much!
af en toe
"Af en toe eet ik friet." = every now and then.
Synonyms: soms
now and then Ik ga af en toe naar de bioscoop.
I go to the cinema now and then.
zetten
Iets ergens rechtop neerzetten op een plek.
Synonyms: plaatsen
to put / to place (upright) Ik zet de kopjes en de melk op de tafel.
I put the cups and the milk on the table.
leggeninformal
Iets plat op een plek neerleggen.
Synonyms: neerleggen
to lay / to put down flat Leg je jas even op het bed in de slaapkamer.
Just lay your coat on the bed in the bedroom.
halen
Iets ergens ophalen en meenemen.
Synonyms: ophalen
to fetch / to get Ik haal straks brood en melk bij de winkel om de hoek.
I will fetch bread and milk at the shop around the corner later.
houdeninformal
Iets met je handen vasthouden of in een stand laten.
Synonyms: vasthouden
to hold / to keep Kun jij de deur even openhouden voor mijn oma?
Can you hold the door open for my grandma for a moment?
krijgen
Iets van iemand ontvangen.
Synonyms: ontvangen
to get / to receive Mijn zoon krijgt morgen een nieuwe fiets van zijn opa.
My son gets a new bike from his grandpa tomorrow.
sturen
Iets naar iemand toe laten gaan, bijvoorbeeld met de post.
Synonyms: opsturen
to send Ik stuur mijn moeder elke week een kaartje uit Amsterdam.
I send my mother a card from Amsterdam every week.
leneninformal
Iets van iemand krijgen en het later teruggeven.
to borrow / to lend Mag ik jouw pen even lenen voor mijn huiswerk vanavond?
May I borrow your pen for my homework tonight?
tellen
Zeggen hoeveel dingen of mensen er zijn.
to count De leraar telt de kinderen voordat ze naar buiten gaan.
The teacher counts the children before they go outside.
gooien
Iets met je hand door de lucht weg laten vliegen.
Synonyms: werpen
to throw De jongen gooit de bal naar zijn vriend in het park.
The boy throws the ball to his friend in the park.
springen
Je met je benen van de grond afzetten en omhoog of ergens in komen.
to jump De kinderen springen in het water bij het strand van Zandvoort.
The children jump into the water at the beach in Zandvoort.
vallen
Naar beneden gaan zonder dat je het wilt.
Synonyms: omvallen
to fall Pas op, de lamp valt bijna van de tafel in de woonkamer.
Watch out, the lamp is almost falling off the table in the living room.
zwaaien
Je hand heen en weer bewegen om gedag te zeggen.
to wave Wij zwaaien naar oma als de trein het station uit rijdt.
We wave to grandma when the train leaves the station.
ruiken
Met je neus merken hoe iets is.
to smell Het brood in de keuken ruikt vanochtend echt heel lekker.
The bread in the kitchen smells really nice this morning.
horen
Met je oren merken dat er geluid is.
to hear Ik hoor de regen tegen het raam van mijn slaapkamer.
I hear the rain on the window of my bedroom.
groeten
Hallo of dag zeggen tegen iemand.
to greet Ik groet mijn buurvrouw elke ochtend voor de deur van ons huis.
I greet my neighbour every morning in front of the door of our house.
rond
Met de vorm van een cirkel of een bal.
round De tafel in onze woonkamer is rond en niet zo groot.
The table in our living room is round and not very big.
hoog
Ver van de grond, met veel afstand naar boven.
high / tall De kast in de keuken is te hoog voor mijn kleine zus.
The cupboard in the kitchen is too high for my little sister.
laag
Dicht bij de grond, niet hoog.
low Het bed van de baby staat heel laag bij de grond.
The baby's bed stands very low near the floor.
breed
Van links naar rechts groot.
wide / broad De straat voor ons huis is breed en meestal heel rustig.
The street in front of our house is wide and usually very quiet.
smal
Van links naar rechts klein, niet breed.
narrow De trap naar de slaapkamer is smal en een beetje donker.
The staircase to the bedroom is narrow and a little dark.
diep
Met veel afstand van boven naar de bodem.
deep Het water bij het strand is hier gelukkig niet zo diep.
The water at the beach is luckily not so deep here.
scherp
Goed om mee te snijden, niet bot.
sharp Pas op, dit mes in de keuken is echt heel scherp.
Watch out, this knife in the kitchen is really very sharp.
zwaar
Met veel gewicht, moeilijk om te dragen.
heavy Mijn tas met boeken is vandaag echt veel te zwaar.
My bag with books is really far too heavy today.
licht
Met weinig gewicht, makkelijk om te dragen.
light (not heavy) Deze jas is heel licht, dus ik neem hem mee naar school.
This coat is very light, so I take it with me to school.
donker
Zonder licht, zoals in de nacht.
dark In de winter wordt het hier al om vijf uur donker.
In winter it already gets dark here at five o'clock.
prettig
Fijn om te hebben of om te doen.
Synonyms: fijn
pleasant / nice Wij hebben een prettig huis met een grote tuin achter de keuken.
We have a pleasant house with a big garden behind the kitchen.
gekinformal
Raar of grappig, niet gewoon.
crazy / silly Mijn broer heeft vandaag een gekke muts op naar school.
My brother is wearing a silly hat to school today.
raarinformal
Anders dan normaal, een beetje vreemd.
Synonyms: vreemd
strange / weird Die soep smaakt een beetje raar, ik drink liever water.
That soup tastes a bit strange, I would rather drink water.
glad
Zo dat je er makkelijk kunt uitglijden.
slippery / smooth De vloer in de badkamer is glad na het douchen.
The floor in the bathroom is slippery after showering.
plat
Helemaal recht, zonder hoge of lage stukken.
flat Het dak van ons huis is plat, dus we zitten daar vaak.
The roof of our house is flat, so we often sit there.
smeriginformal
Heel erg vies en niet schoon.
Synonyms: vies
filthy / dirty Mijn schoenen zijn smerig na het spelen in het natte park.
My shoes are filthy after playing in the wet park.
stominformal
Niet leuk of niet slim.
Synonyms: dom
stupid / dumb Ik vind die film echt stom, maar mijn zus vindt hem leuk.
I think that film is really stupid, but my sister likes it.
graag gedaaninformal
Dit zeg je als iemand je bedankt.
Synonyms: geen dank
you are welcome Dank je wel voor de koffie! Graag gedaan, tot morgen.
Thank you for the coffee! You are welcome, see you tomorrow.
hoe heet jeinformal
Zo vraag je hoe iemand genoemd wordt.
what is your name Hallo, hoe heet je? Ik ben Bram en ik woon hier.
Hello, what is your name? I am Bram and I live here.
veel plezierinformal
Dit wens je iemand die iets leuks gaat doen.
have fun Veel plezier op het feest, tot morgen bij het ontbijt!
Have fun at the party, see you tomorrow at breakfast!
prettige dagformal
Dit zeg je als je iemand een fijne dag wenst.
have a nice day Tot ziens meneer, en nog een prettige dag verder!
Goodbye sir, and enjoy the rest of your day!

More Dutch Decks

Dutch A1 — Essentials

A1 260 words

Trip Kit: Dutch in 50 phrases

A1 A2 60 words

Dutch A2 — Conversations

A2 239 words

Dutch A2 — Travel

A2 203 words

Dutch A2 — Routines

A2 215 words

Dutch B1 — Society & Opinions

B1 204 words

DocumentationPublic DecksAnki AlternativeContactPrivacyTerms