Everyday Dutch words (CEFR A1). Family, food, body parts, clothing, home, animals, weather, emotions, occupations, and transportation vocabulary.
A real study session, right now. No signup.
✈️ Travelling soon? The Dutch Trip Kit is 50 phrases in 5 days, with pronunciation, free.
| Word | Translation | Example |
|---|---|---|
| de moeder "mijn moeder" — informeel: mama, mam. Moederdag = tweede zondag van mei! | the mother | Mijn moeder kookt het eten. My mother cooks the food. |
| de vader "mijn vader" — informeel: papa, pap. Vaderdag = derde zondag van juni! | the father | Mijn vader werkt op kantoor. My father works at an office. |
| de zoon "onze zoon". Meervoud: zonen — maar de zon = the sun! | the son | Hun zoon gaat naar school. Their son goes to school. |
| de dochter "hun dochter". Meervoud: dochters. | the daughter | Onze dochter is vijf jaar oud. Our daughter is five years old. |
| het kind Het-woord! Meervoud: de kinderen. "kinderen onder de twaalf". | the child | Het kind speelt in de tuin. The child plays in the garden. |
| de broer "mijn grote broer" = older brother. Niet verwarren met broek (pants)! | the brother | Mijn broer is ouder dan ik. My brother is older than me. |
| de zus "mijn kleine zus" = little sister. Formeler: zuster (ook: verpleegster!). | the sister | Mijn zus studeert in Leiden. My sister studies in Leiden. |
| de opa "opa en oma" — formeel: grootvader. | the grandfather | Mijn opa vertelt mooie verhalen. My grandfather tells beautiful stories. |
| de oma "bij oma eten" — formeel: grootmoeder. | the grandmother | Mijn oma bakt elke zondag taart. My grandmother bakes cake every Sunday. |
| de man "een aardige man" = man; "mijn man" = my husband! | the man / husband | Haar man werkt in een ziekenhuis. Her husband works in a hospital. |
| de vrouw "een sterke vrouw" = woman; "mijn vrouw" = my wife! | the woman / wife | Zijn vrouw is lerares. His wife is a teacher. |
| het gezin Ouders + kinderen = het gezin; de hele familie = extended family — twee woorden! | the family (nuclear) | Ons gezin heeft vier personen. Our family has four people. |
| de baby "De baby slaapt." — beschuit met muisjes bij de geboorte, Nederlandse traditie! | the baby | De baby slaapt in de wieg. The baby sleeps in the crib. |
| de oom "oom Jan" — de broer van je vader of moeder. | the uncle | Mijn oom woont in Groningen. My uncle lives in Groningen. |
| de tante "tante Els" — de zus van je vader of moeder. | the aunt | Mijn tante komt morgen op bezoek. My aunt is visiting tomorrow. |
| de neef Twee betekenissen: cousin ÉN nephew — het Nederlands maakt geen verschil! | the cousin (male) / nephew | Mijn neef is even oud als ik. My cousin is the same age as me. |
| de nicht Net als neef: cousin én niece in één woord! | the cousin (female) / niece | Mijn nicht woont in België. My cousin lives in Belgium. |
| de vriend "een goede vriend" = friend; "mijn vriend" = my boyfriend — context is alles! | the friend (male) | Mijn vriend heet Jan. My friend is called Jan. |
| de vriendin "een vriendin van school" = friend; "mijn vriendin" = my girlfriend! | the friend (female) | Mijn vriendin komt uit Duitsland. My friend comes from Germany. |
| het brood "een bruin brood" — de Nederlandse lunch is een boterham (broodje kaas)! | the bread | Ik eet brood bij het ontbijt. I eat bread at breakfast. |
| de kaas Nationale trots! Gouda, Edammer, jong of oud — "een broodje kaas" is dé lunch. Kaaskop = bijnaam voor Nederlanders! | the cheese | Nederlandse kaas is beroemd. Dutch cheese is famous. |
| de melk "een glas melk" — Nederlanders drinken melk bij de lunch, echt waar! | the milk | Ik drink een glas melk. I drink a glass of milk. |
| het water "een glas water" — kraanwater is uitstekend in Nederland! "spa blauw" = plat water. | the water | Mag ik een glas water? May I have a glass of water? |
| de koffie "Koffie?" — dé Nederlandse vraag! "koffie verkeerd" = koffie met veel melk. Op werk: koffieautomaat! | the coffee | Wil je een kopje koffie? Would you like a cup of coffee? |
| de thee "een kopje thee" — met één koekje erbij, zegt het cliché! | the tea | Ik drink graag thee. I like to drink tea. |
| het bier "een biertje" — het verkleinwoord hoort erbij! Heineken, Grolsch, en tegenwoordig veel speciaalbier. | the beer | Nederland heeft lekker bier. The Netherlands has tasty beer. |
| de wijn "rode of witte wijn?", "een glaasje wijn". | the wine | Wil je rode of witte wijn? Do you want red or white wine? |
| het sap "sinaasappelsap" = orange juice — vers geperst bij het ontbijt! | the juice | Ik wil sinaasappelsap. I want orange juice. |
| de soep "erwtensoep" = snert — dé Hollandse wintersoep, zo dik dat je lepel rechtop staat! | the soup | De tomatensoep is lekker. The tomato soup is tasty. |
| het vlees "vlees of vis?" — de klassieke Nederlandse maaltijd: vlees, aardappelen, groente! | the meat | Ik eet niet veel vlees. I don't eat much meat. |
| de vis "verse vis" — haring met uitjes van de viskraam: rauw en heerlijk (zeggen ze)! | the fish | We eten vis op vrijdag. We eat fish on Friday. |
| de kip "kip met rijst"; ook het dier: "de kip legt eieren". | the chicken | Ik kook kip met rijst. I cook chicken with rice. |
| de rijst "nasi en bami" — door de Indonesische keuken eet Nederland veel rijst! | the rice | Wij eten rijst bij het avondeten. We eat rice at dinner. |
| de aardappel Letterlijk: aarde + appel! De basis van de Hollandse pot — en van de friet! | the potato | Nederlanders eten veel aardappelen. Dutch people eat many potatoes. |
| de groente "groente en fruit" — op de markt het goedkoopst! Meervoud: groenten/groentes. | the vegetable | Ik koop verse groente op de markt. I buy fresh vegetables at the market. |
| het fruit "vers fruit" — let op: het fruit (verzamelnaam), de vrucht = één stuk! | the fruit | Fruit is gezond. Fruit is healthy. |
| de appel "de Elstar" = populairste Nederlandse appel! "Een appeltje voor de dorst" = spaargeld! | the apple | Ik eet elke dag een appel. I eat an apple every day. |
| de suiker "met melk en suiker?" — de koffievraag. | the sugar | Wil je suiker in je koffie? Do you want sugar in your coffee? |
| het zout "zout en peper", "drop" = zoute snoep waar alleen Nederlanders van houden! | the salt | Geef mij het zout, alsjeblieft. Pass me the salt, please. |
| de boter "brood met boter" — de boterham dankt er zijn naam aan! | the butter | Ik doe boter op mijn brood. I put butter on my bread. |
| het ei Het-woord! Meervoud: de eieren. "een gekookt eitje" bij het ontbijt. | the egg | Ik bak een ei voor het ontbijt. I fry an egg for breakfast. |
| de taart "appeltaart met slagroom" — dé Nederlandse cafébestelling! Verjaardag = taart! | the cake / pie | De appeltaart is heerlijk. The apple pie is delicious. |
| het ontbijt "ontbijten met hagelslag" — chocoladehagel op brood: heel normaal in Nederland! | the breakfast | Het ontbijt is om acht uur. Breakfast is at eight o'clock. |
| de lunch "lunchen tussen de middag" — meestal een broodje, kort en simpel! | the lunch | We eten de lunch om twaalf uur. We eat lunch at twelve o'clock. |
| het avondeten Warm eten om zes uur — vroeg! Wie om half zeven belt, hoort: "We zitten te eten!" | the dinner | Het avondeten is om zes uur. Dinner is at six o'clock. |
| het hoofd "hoofdpijn" = headache; "het hoofd koel houden" = keep a cool head! | the head | Ik heb pijn in mijn hoofd. I have a pain in my head. |
| het oog Het-woord! Meervoud: de ogen. "blauwe ogen", "in het oog houden" = keep an eye on! | the eye | Hij heeft blauwe ogen. He has blue eyes. |
| het oor Meervoud: de oren. "muziek in je oren"! | the ear | Ik kan het niet goed horen met mijn oor. I cannot hear well with my ear. |
| de neus "een verstopte neus" = blocked nose; "neus snuiten" = blow your nose. | the nose | Mijn neus is rood van de kou. My nose is red from the cold. |
| de mond "Doe je mond open!" — bij de tandarts; "Hou je mond!" = be quiet (onbeleefd)! | the mouth | Doe je mond open. Open your mouth. |
| de tand "tanden poetsen" = brush teeth. Meervoud: tanden. Kies = molar! | the tooth | Ik poets mijn tanden twee keer per dag. I brush my teeth twice a day. |
| de hand "een hand geven" = shake hands — de Nederlandse begroeting! Meervoud: handen. | the hand | Was je handen voor het eten. Wash your hands before eating. |
| de arm "mijn arm doet pijn"; arm = ook poor — "arme mensen"! | the arm | Mijn arm doet pijn. My arm hurts. |
| het been Het-woord! Meervoud: de benen. "op eigen benen staan" = zelfstandig zijn! | the leg | Ik heb mijn been gebroken. I broke my leg. |
| de voet "te voet" = on foot; meervoud: voeten. Voetbal = foot + ball! | the foot | Mijn voeten zijn moe. My feet are tired. |
| de buik "buikpijn" = stomachache; "een volle buik" = a full stomach. | the belly / stomach | Ik heb buikpijn. I have a stomachache. |
| het hart "met heel mijn hart" = with all my heart; "een goed hart hebben". | the heart | Mijn hart klopt snel. My heart beats fast. |
| de jas "Doe je jas aan!" = put on your coat — nodig in Nederland, altijd! | the coat / jacket | Trek je jas aan, het is koud. Put on your coat, it is cold. |
| de broek Enkelvoud in het Nederlands: "een spijkerbroek" = jeans! | the pants / trousers | Ik draag een blauwe broek. I am wearing blue pants. |
| het shirt "een wit shirt" — het Nederlands leent graag Engelse woorden! | the shirt / T-shirt | Dit shirt is te klein. This shirt is too small. |
| de schoen "schoenen uit!" — bij sommige mensen thuis; "de schoen zetten" = Sinterklaastraditie! | the shoe | Mijn schoenen zijn nieuw. My shoes are new. |
| de sok "een gat in mijn sok"; sokken in sandalen = de Nederlandse toerist! | the sock | Ik draag warme sokken. I am wearing warm socks. |
| de trui "een warme trui" — de thermostaat lager, trui aan: heel Nederlands zuinig! | the sweater | Doe een trui aan, het is koud. Put on a sweater, it is cold. |
| de muts "een wollen muts" — voor op de fiets in de winter! | the hat / beanie | In de winter draag ik een muts. In winter I wear a hat. |
| de tas "een tas vol boodschappen"; fietstassen = de Nederlandse kofferbak! | the bag | Mijn tas is zwaar. My bag is heavy. |
| het huis "naar huis" = homewards; "thuis" = at home. Grachtenpand = het droomhuis! | the house | Ons huis heeft drie slaapkamers. Our house has three bedrooms. |
| de kamer "mijn kamer"; "op kamers wonen" = op jezelf wonen als student! | the room | De kamer is groot en licht. The room is big and bright. |
| de keuken "in de keuken koken"; "de Hollandse keuken" = Dutch cuisine — ja, die bestaat! | the kitchen | Ik kook in de keuken. I cook in the kitchen. |
| de slaapkamer Slaap + kamer: "een huis met drie slaapkamers". | the bedroom | De slaapkamer is boven. The bedroom is upstairs. |
| de woonkamer Woon + kamer — met grote ramen en géén gordijnen dicht: typisch Nederlands! | the living room | We kijken televisie in de woonkamer. We watch television in the living room. |
| de badkamer Bad + kamer: douchen, tandenpoetsen. Het toilet is vaak apart! | the bathroom | De badkamer is schoon. The bathroom is clean. |
| de deur "de deur is open", "voor de deur" = at the door. | the door | Doe de deur dicht, alsjeblieft. Close the door, please. |
| het raam Het-woord! Meervoud: ramen. Grote ramen zonder gordijnen — kijk gerust naar binnen! | the window | Doe het raam open. Open the window. |
| de trap "de trap op" = upstairs — Nederlandse trappen zijn stijl en smal, pas op! | the stairs | De trap is steil. The stairs are steep. |
| de vloer "op de vloer" = on the floor; "de begane grond" = ground floor! | the floor | De vloer is schoon. The floor is clean. |
| het toilet "Waar is het toilet?" — informeel: de wc [weesee]! Synonyms: de wc | the toilet | Waar is het toilet? Where is the toilet? |
| de tafel "aan tafel!" = dinner's ready! "de tafel dekken" = set the table. | the table | We eten aan de tafel. We eat at the table. |
| de stoel "Ga zitten, pak een stoel!" = have a seat. | the chair | Ga op de stoel zitten. Sit on the chair. |
| het bed "naar bed gaan" = go to bed; "in bed liggen". | the bed | Ik ga naar bed. I am going to bed. |
| de bank Twee betekenissen: "op de bank zitten" = couch; "geld op de bank" = bank! | the couch / sofa | Ik zit op de bank. I am sitting on the couch. |
| de kast "de kledingkast" = wardrobe; "de koelkast" = fridge (koel + kast)! | the cupboard / closet | De borden staan in de kast. The plates are in the cupboard. |
| de lamp "de lamp aandoen" = turn on the light — gezellige lampjes, geen fel licht! | the lamp | Doe de lamp aan. Turn on the lamp. |
| de spiegel "in de spiegel kijken" = look in the mirror. | the mirror | Ik kijk in de spiegel. I look in the mirror. |
| het bureau Het-woord: "aan mijn bureau werken" = at my desk; ook: office/agency! | the desk | Mijn computer staat op het bureau. My computer is on the desk. |
| de hond "de hond uitlaten" = walk the dog — weer of geen weer! | the dog | De hond speelt in het park. The dog plays in the park. |
| de kat "de kat van de buren"; poes = ook kat! "Er zijn meer katten dan honden in Nederland!" Synonyms: de poes | the cat | De kat slaapt op de bank. The cat sleeps on the couch. |
| de vogel "vogels kijken" = birdwatching; meervoud: vogels. | the bird | De vogel zingt in de boom. The bird sings in the tree. |
| het paard Het-woord! "paardrijden" = horseback riding; het paard van Sinterklaas heet Ozosnel! | the horse | Het paard staat in de wei. The horse is in the meadow. |
| de koe Meervoud: koeien! De zwart-witte koe in de wei = hét Hollandse landschap. | the cow | Er zijn veel koeien in Nederland. There are many cows in the Netherlands. |
| het varken Het-woord: "het varken op de boerderij". | the pig | Het varken is roze. The pig is pink. |
| het dier Het-woord! "huisdier" = pet; "dierentuin" = zoo (dieren + tuin)! | the animal | Ik houd van dieren. I love animals. |
| de zon "De zon schijnt!" — en heel Nederland zit meteen op het terras! | the sun | De zon schijnt. The sun is shining. |
| de regen "in de regen fietsen" — de nationale sport! Regenjas altijd mee. | the rain | De regen valt de hele dag. The rain falls all day. |
| de wind "tegenwind" = headwind — de vijand van elke fietser! "windkracht 7". | the wind | De wind is sterk vandaag. The wind is strong today. |
| het weer HET gespreksonderwerp: "Wat een weer, hè?" — werkt altijd! Ook: weer = again! | the weather | Het weer is mooi vandaag. The weather is nice today. |
| de storm "Er komt storm!" — code oranje en de treinen rijden niet meer! | the storm | Er komt een storm aan. A storm is coming. |
| droog "Het blijft droog!" = it stays dry — het beste Nederlandse weerbericht! | dry | Het is droog vandaag. It is dry today. |
| nat "nat van de regen" = soaked; "natte kleren". | wet | Mijn kleren zijn nat van de regen. My clothes are wet from the rain. |
| het uur Het-woord: "een half uur" = half an hour; "om drie uur" = at three! | the hour | De les duurt een uur. The lesson lasts one hour. |
| de minuut "vijf minuten", "Een minuutje!" = just a minute! | the minute | Wacht vijf minuten, alsjeblieft. Wait five minutes, please. |
| de nacht "'s nachts" = at night; "de hele nacht" = all night. | the night | De nacht is donker. The night is dark. |
| de ochtend "'s ochtends" = in the morning. Synoniem: de morgen! Synonyms: de morgen | the morning | Ik drink koffie in de ochtend. I drink coffee in the morning. |
| de middag "'s middags" = in the afternoon; "tussen de middag" = at lunchtime! | the afternoon | Ik werk in de middag. I work in the afternoon. |
| de avond "'s avonds" = in the evening; "vanavond" = tonight; "gezellige avond!" | the evening | In de avond kijk ik televisie. In the evening I watch television. |
| de week "volgende week" = next week; "door de week" = on weekdays. | the week | Ik werk vijf dagen per week. I work five days per week. |
| de maand "deze maand", "per maand" = monthly. | the month | Deze maand is het warm. This month it is warm. |
| het jaar Het-woord! "vorig jaar" = last year; "Gelukkig Nieuwjaar!" — met oliebollen en vuurwerk! | the year | Ik woon hier al twee jaar. I have lived here for two years already. |
| het weekend "Fijn weekend!" = have a nice weekend — de vrijdagmiddaggroet! | the weekend | In het weekend ga ik naar het strand. On the weekend I go to the beach. |
| vroeg "vroeg opstaan" = get up early; "te vroeg" = too early. | early | Ik sta vroeg op. I get up early. |
| laat "te laat" = too late; "Hoe laat is het?" = what time is it? | late | Het is al laat. It is already late. |
| straks "Tot straks!" = see you later (vandaag nog)! "straks even" = in a bit. | soon / later | Ik bel je straks. I will call you soon. |
| de vakantie "op vakantie gaan" — naar Frankrijk met de caravan: de Nederlandse klassieker! | the vacation / holiday | We gaan op vakantie naar Spanje. We are going on vacation to Spain. |
| de lente Maart-juni: tulpen, lammetjes en de eerste terrasjes! Ook: het voorjaar. Synonyms: het voorjaar | the spring | In de lente bloeien de bloemen. In spring the flowers bloom. |
| de zomer "in de zomer" = in summer; "zomervakantie" = 6 weken vrij! | the summer | In de zomer is het warm. In summer it is warm. |
| de herfst September-december: regen, wind, kastanjes. Ook: het najaar. Synonyms: het najaar | the autumn / fall | In de herfst vallen de bladeren. In autumn the leaves fall. |
| de winter "in de winter" — en heel Nederland hoopt op natuurijs voor het schaatsen! | the winter | In de winter is het koud. In winter it is cold. |
| boos "boos zijn op iemand" = angry at someone; "Word niet boos!" = don't be mad! | angry | Zij is boos op mij. She is angry at me. |
| verdrietig "verdrietig zijn" = to be sad. Het verdriet = the sadness. | sad | Het kind is verdrietig. The child is sad. |
| bang "bang voor spinnen" = afraid of spiders — bang VOOR iets! | afraid / scared | Ik ben bang voor honden. I am afraid of dogs. |
| moe "Ik ben moe." = I'm tired; "doodmoe" = dead tired! | tired | Ik ben erg moe. I am very tired. |
| gelukkig Twee betekenissen: "gelukkig zijn" = to be happy; "Gelukkig!" = luckily, thank goodness! | happy / fortunately | Ik ben gelukkig met mijn baan. I am happy with my job. |
| verliefd "verliefd zijn op" = in love with; "verliefd worden" = fall in love! | in love | Hij is verliefd op haar. He is in love with her. |
| zenuwachtig "zenuwachtig voor het examen" = nervous — de zenuwen = the nerves! Synonyms: nerveus | nervous | Ik ben zenuwachtig voor het examen. I am nervous about the exam. |
| trots "trots op je" = proud of you — trots OP iets! | proud | Ik ben trots op mijn zoon. I am proud of my son. |
| tevreden "tevreden met" = satisfied with; "een tevreden klant". | satisfied / content | Ik ben tevreden met het resultaat. I am satisfied with the result. |
| verrast "aangenaam verrast" = pleasantly surprised. De verrassing = the surprise! | surprised | Ik ben verrast door het cadeau. I am surprised by the gift. |
| eenzaam "zich eenzaam voelen" = feel lonely — anders dan alleen (alone)! | lonely | Soms voel ik me eenzaam. Sometimes I feel lonely. |
| de leraar "de leraar Nederlands" — op de middelbare school; basisschool: de meester! | the teacher (male) | De leraar geeft les in wiskunde. The teacher teaches mathematics. |
| de lerares Vrouwelijke leraar; op de basisschool: de juf! | the teacher (female) | De lerares is heel aardig. The teacher is very kind. |
| de dokter "naar de dokter gaan" — in Nederland eerst altijd de huisarts! "Neem maar een paracetamolletje…" Synonyms: de arts | the doctor | Ik ga naar de dokter. I am going to the doctor. |
| de verpleegkundige De officiële term — informeler: verpleger/verpleegster. | the nurse | De verpleegkundige helpt de patiënt. The nurse helps the patient. |
| de agent "een agent op straat" — de politieagent. | the police officer | De agent regelt het verkeer. The police officer directs traffic. |
| de kok "de kok van het restaurant". Zelf koken? Dan ben jij de kok! | the cook / chef | De kok maakt lekker eten. The chef makes delicious food. |
| de student "student aan de universiteit" — scholieren zitten op school, studenten studeren! | the student | De student studeert in Amsterdam. The student studies in Amsterdam. |
| de boer "de boer op het land" — boerenkaas komt rechtstreeks van de boerderij! | the farmer | De boer werkt op het land. The farmer works on the land. |
| de winkelier De eigenaar van een winkel — winkel + -ier. | the shopkeeper | De winkelier opent de winkel om negen uur. The shopkeeper opens the shop at nine o'clock. |
| de chauffeur "de buschauffeur" — in Nederland zeg je 'dag' tegen de chauffeur bij het uitstappen! | the driver | De chauffeur rijdt de bus. The driver drives the bus. |
| de auto "met de auto" = by car; uitspraak: [oto] of [auto], allebei goed! | the car | Ik ga met de auto naar het werk. I go to work by car. |
| de fiets HET Nederlandse vervoermiddel — meer fietsen dan mensen! "op de fiets" = by bike. | the bicycle | Ik fiets elke dag naar school. I cycle to school every day. |
| de trein "de trein naar Utrecht" — de NS (Nederlandse Spoorwegen), geel-blauw! | the train | De trein vertrekt om tien uur. The train departs at ten o'clock. |
| de bus "de bus nemen", "met de bus" = by bus. | the bus | Ik neem de bus naar de stad. I take the bus to the city. |
| de tram "tram 2 naar het centrum" — in Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Utrecht! | the tram | De tram stopt bij het station. The tram stops at the station. |
| het vliegtuig Het-woord: vlieg + tuig! "met het vliegtuig" = by plane. | the airplane | Het vliegtuig vertrekt om drie uur. The airplane departs at three o'clock. |
| de boot "een rondvaart met de boot" door de grachten — dé toeristenactiviteit! | the boat | We varen met de boot over het meer. We sail with the boat across the lake. |
| de metro "de metro nemen" — in Amsterdam en Rotterdam. | the metro / subway | Ik reis met de metro door de stad. I travel through the city by metro. |
| het station Het-woord: "op het station" = at the station; Amsterdam Centraal! | the station | Het station is dichtbij. The station is nearby. |
| de halte "de bushalte", "bij de volgende halte uitstappen". | the stop | De bushalte is om de hoek. The bus stop is around the corner. |
| het kaartje "een kaartje kopen" — verkleinwoord van kaart; treinkaartje, bioscoopkaartje! | the ticket | Ik koop een kaartje voor de trein. I buy a ticket for the train. |
| de straat "in de straat wonen" = live on the street; "op straat" = outside! | the street | De straat is lang en smal. The street is long and narrow. |
| de weg "de weg vragen" = ask the way; "onderweg" = on the way! | the road / way | Weet jij de weg naar het park? Do you know the way to the park? |
| de brug "de brug is open!" — voor een boot; heel Nederland wacht regelmatig voor een open brug! | the bridge | We lopen over de brug. We walk across the bridge. |
| de winkel "naar de winkel gaan" = go to the shop; "winkelen" = to shop! | the shop / store | De winkel is open tot acht uur. The shop is open until eight o'clock. |
| de supermarkt "boodschappen doen bij de supermarkt" — Albert Heijn, Jumbo, Lidl! | the supermarket | Ik ga naar de supermarkt. I am going to the supermarket. |
| het ziekenhuis Het-woord: zieken + huis! "in het ziekenhuis liggen" = to be in hospital. | the hospital | Het ziekenhuis is in het centrum. The hospital is in the center. |
| de school "naar school gaan", "op school" = at school. | the school | De school begint om half negen. School starts at half past eight. |
| het park Het-woord: "picknicken in het park" — het Vondelpark is het beroemdst! | the park | Wij wandelen in het park. We walk in the park. |
| het restaurant Het-woord: "uit eten in een restaurant" = eat out. | the restaurant | Wij eten in een restaurant. We eat in a restaurant. |
| de kerk "de oude kerk in het centrum" — elke stad heeft er één! | the church | De kerk is heel oud. The church is very old. |
| de markt "naar de markt gaan" — zaterdag marktdag: kaas, vis, bloemen, stroopwafels! | the market | Op zaterdag ga ik naar de markt. On Saturday I go to the market. |
| het strand Het-woord: "naar het strand" — Zandvoort, Scheveningen; ook met wind! | the beach | In de zomer gaan we naar het strand. In summer we go to the beach. |
| de gracht Dé Amsterdamse gracht! "aan de gracht wonen" = het droomhuis. De grachtengordel = UNESCO! | the canal | Amsterdam heeft mooie grachten. Amsterdam has beautiful canals. |
| de telefoon "de telefoon opnemen" = answer the phone; mobiel(tje) = mobile! | the telephone | Mijn telefoon gaat over. My phone is ringing. |
| de computer "achter de computer zitten" = to be at the computer. | the computer | Ik werk op de computer. I work on the computer. |
| het boek Het-woord! "een boek lezen"; de Boekenweek = jaarlijks leesfeest! | the book | Ik lees een goed boek. I am reading a good book. |
| de pen "Heb je een pen voor me?" = do you have a pen? | the pen | Heb je een pen voor mij? Do you have a pen for me? |
| de sleutel "de sleutel vergeten" — het klassieke drama! "de huissleutel". | the key | Ik ben mijn sleutel kwijt. I have lost my key. |
| het geld Het-woord! "geld verdienen" = earn money; "geld pinnen" = withdraw cash. | the money | Ik heb niet genoeg geld. I don't have enough money. |
| de bril Enkelvoud in het Nederlands! "Ik draag een bril." = I wear glasses. | the glasses | Ik draag een bril. I wear glasses. |
| het horloge Het-woord: "op mijn horloge kijken" = check my watch. | the watch | Mijn horloge loopt achter. My watch is running slow. |
| de portemonnee "mijn portemonnee vergeten" — uit het Frans! Ook geschreven: portemonnaie. | the wallet | Mijn portemonnee zit in mijn tas. My wallet is in my bag. |
| koken "Wie kookt er vanavond?" "Het water kookt." = the water is boiling! | to cook | Ik kook vanavond pasta. I am cooking pasta tonight. |
| schoonmaken Scheidbaar: "Ik maak het huis schoon." = I clean the house — maken + schoon! | to clean | Ik maak het huis schoon. I am cleaning the house. |
| wassen "handen wassen", "de auto wassen"; "de was doen" = do the laundry! | to wash | Ik was mijn kleren. I wash my clothes. |
| douchen "even douchen" = take a quick shower — Nederlanders douchen kort (water is duur)! | to shower | Ik douche elke ochtend. I shower every morning. |
| zwemmen Verleden: zwom, gezwommen. "zwemles" — elk Nederlands kind haalt het zwemdiploma A-B-C! | to swim | De kinderen zwemmen in het zwembad. The children swim in the swimming pool. |
| fietsen Hét Nederlandse werkwoord! "naar het werk fietsen" — weer of geen weer, iedereen fietst! | to cycle | Ik fiets naar mijn werk. I cycle to my work. |
| spelen "buiten spelen" = play outside; "piano spelen", "een spelletje spelen". | to play | De kinderen spelen buiten. The children play outside. |
| luisteren "luisteren naar muziek" — luisteren NAAR iets! "Luister!" = listen! | to listen | Ik luister naar muziek. I listen to music. |
| kijken Verleden: keek, gekeken. "tv kijken", "Kijk!" = look! "even kijken…" = let me see… | to look / to watch | Ik kijk naar een film. I am watching a movie. |
| bellen "Ik bel je!" = I'll call you! "even bellen met" = give a quick call. | to call (phone) | Ik bel mijn moeder. I call my mother. |
| zingen Verleden: zong, gezongen. "een liedje zingen", "vals zingen" = sing out of tune! | to sing | Zij zingt een lied. She sings a song. |
| dansen "de hele nacht dansen" = dance all night. | to dance | Wij dansen op het feest. We dance at the party. |
| tekenen "een huis tekenen" = draw a house; ook: "een contract tekenen" = to sign! | to draw | Het kind tekent een huis. The child draws a house. |
| opruimen Scheidbaar: "Ik ruim mijn kamer op." — ruimen…op! "Ruim je op?" | to tidy up | Ik ruim mijn kamer op. I tidy up my room. |
| boodschappen doen "Ik ga boodschappen doen." = grocery shopping — met je eigen tas, natuurlijk! | to do grocery shopping | Ik doe op zaterdag boodschappen. I do grocery shopping on Saturday. |
| studeren "geneeskunde studeren" = study medicine — aan de universiteit; huiswerk maken = leren! | to study | Zij studeert aan de universiteit. She studies at the university. |
| rusten "even rusten" = take a rest. Uitrusten = to rest fully! | to rest | Na het werk rust ik even. After work I rest for a bit. |
| rennen "naar de trein rennen" = run for the train — de Nederlandse sprint! | to run | De kinderen rennen in het park. The children run in the park. |
| opstaan Scheidbaar: "Ik sta om zeven uur op." — staan…op! "Opstaan!" = get up! | to get up | Ik sta elke dag om zeven uur op. I get up at seven o'clock every day. |
| praten "praten met vrienden" = talk with friends; "praten over" = talk about. | to talk | Wij praten over het weer. We talk about the weather. |
| schoon "een schone keuken" = clean; in België betekent schoon: mooi! | clean | Het huis is schoon. The house is clean. |
| vies "vieze handen" = dirty hands; "Vies!" = yuck! — ook over eten! | dirty | Mijn handen zijn vies. My hands are dirty. |
| dank je wel "Dank je wel voor alles!" — los geschreven of aan elkaar: dankjewel! Synonyms: bedankt | thank you | Dank je wel voor je hulp. Thank you for your help. |
| hoe gaat het "Hoe gaat het?" — "Goed, en met jou?" = fine, and you? — het standaardritueel! | how are you | Hoi! Hoe gaat het met je? Hi! How are you? |
| antwoorden "op een vraag antwoorden" = answer a question. Het antwoord = the answer. | to answer | Hij antwoordt altijd snel. He always answers quickly. |
| pakken "Pak maar!" = just take it! "de trein pakken" = catch the train; "even pakken" = grab quickly. | to grab / to take | Pak je jas, het regent. Grab your jacket, it's raining. |
| luid "luide muziek" = loud music. Gesproken vaker: hard! Synonyms: hard | loud | De muziek is te luid. The music is too loud. |
| zacht "een zacht kussen" = soft pillow; "zacht praten" = speak softly. | soft / gentle | Dit kussen is heel zacht. This pillow is very soft. |
| hard "hard werken" = work hard; "hard praten" = talk loudly; "harde wind"! | hard / loud | Het regent heel hard. It's raining very hard. |
| vol "De trein is vol." = full; "een vol programma" = a full schedule. | full | De trein is vol. The train is full. |
| leeg "een leeg glas", "De batterij is leeg!" = the battery is dead! | empty | De koelkast is leeg. The fridge is empty. |
| ik weet het niet "Ik weet het niet." — gesproken vaak: "Weet ik niet" of "geen idee!" | I don't know | Ik weet het niet, sorry. I don't know, sorry. |
| dat klopt "Dat klopt!" = that's right — supernuttige bevestiging! Van kloppen = to knock/be correct. | that's correct | Ja, dat klopt helemaal. Yes, that's completely correct. |
| niet erg "Sorry! — Niet erg!" = no worries, it's fine! | not bad / no problem | Het is niet erg, maak je geen zorgen. It's not bad, don't worry. |
| heel graag "Wil je mee? — Heel graag!" = I'd love to! | with pleasure / very much | Wil je koffie? Heel graag! Would you like coffee? Very much! |
| af en toe "Af en toe eet ik friet." = every now and then. Synonyms: soms | now and then | Ik ga af en toe naar de bioscoop. I go to the cinema now and then. |
| zetten Iets ergens rechtop neerzetten op een plek. Synonyms: plaatsen | to put / to place (upright) | Ik zet de kopjes en de melk op de tafel. I put the cups and the milk on the table. |
| leggeninformal Iets plat op een plek neerleggen. Synonyms: neerleggen | to lay / to put down flat | Leg je jas even op het bed in de slaapkamer. Just lay your coat on the bed in the bedroom. |
| halen Iets ergens ophalen en meenemen. Synonyms: ophalen | to fetch / to get | Ik haal straks brood en melk bij de winkel om de hoek. I will fetch bread and milk at the shop around the corner later. |
| houdeninformal Iets met je handen vasthouden of in een stand laten. Synonyms: vasthouden | to hold / to keep | Kun jij de deur even openhouden voor mijn oma? Can you hold the door open for my grandma for a moment? |
| krijgen Iets van iemand ontvangen. Synonyms: ontvangen | to get / to receive | Mijn zoon krijgt morgen een nieuwe fiets van zijn opa. My son gets a new bike from his grandpa tomorrow. |
| sturen Iets naar iemand toe laten gaan, bijvoorbeeld met de post. Synonyms: opsturen | to send | Ik stuur mijn moeder elke week een kaartje uit Amsterdam. I send my mother a card from Amsterdam every week. |
| leneninformal Iets van iemand krijgen en het later teruggeven. | to borrow / to lend | Mag ik jouw pen even lenen voor mijn huiswerk vanavond? May I borrow your pen for my homework tonight? |
| tellen Zeggen hoeveel dingen of mensen er zijn. | to count | De leraar telt de kinderen voordat ze naar buiten gaan. The teacher counts the children before they go outside. |
| gooien Iets met je hand door de lucht weg laten vliegen. Synonyms: werpen | to throw | De jongen gooit de bal naar zijn vriend in het park. The boy throws the ball to his friend in the park. |
| springen Je met je benen van de grond afzetten en omhoog of ergens in komen. | to jump | De kinderen springen in het water bij het strand van Zandvoort. The children jump into the water at the beach in Zandvoort. |
| vallen Naar beneden gaan zonder dat je het wilt. Synonyms: omvallen | to fall | Pas op, de lamp valt bijna van de tafel in de woonkamer. Watch out, the lamp is almost falling off the table in the living room. |
| zwaaien Je hand heen en weer bewegen om gedag te zeggen. | to wave | Wij zwaaien naar oma als de trein het station uit rijdt. We wave to grandma when the train leaves the station. |
| ruiken Met je neus merken hoe iets is. | to smell | Het brood in de keuken ruikt vanochtend echt heel lekker. The bread in the kitchen smells really nice this morning. |
| horen Met je oren merken dat er geluid is. | to hear | Ik hoor de regen tegen het raam van mijn slaapkamer. I hear the rain on the window of my bedroom. |
| groeten Hallo of dag zeggen tegen iemand. | to greet | Ik groet mijn buurvrouw elke ochtend voor de deur van ons huis. I greet my neighbour every morning in front of the door of our house. |
| rond Met de vorm van een cirkel of een bal. | round | De tafel in onze woonkamer is rond en niet zo groot. The table in our living room is round and not very big. |
| hoog Ver van de grond, met veel afstand naar boven. | high / tall | De kast in de keuken is te hoog voor mijn kleine zus. The cupboard in the kitchen is too high for my little sister. |
| laag Dicht bij de grond, niet hoog. | low | Het bed van de baby staat heel laag bij de grond. The baby's bed stands very low near the floor. |
| breed Van links naar rechts groot. | wide / broad | De straat voor ons huis is breed en meestal heel rustig. The street in front of our house is wide and usually very quiet. |
| smal Van links naar rechts klein, niet breed. | narrow | De trap naar de slaapkamer is smal en een beetje donker. The staircase to the bedroom is narrow and a little dark. |
| diep Met veel afstand van boven naar de bodem. | deep | Het water bij het strand is hier gelukkig niet zo diep. The water at the beach is luckily not so deep here. |
| scherp Goed om mee te snijden, niet bot. | sharp | Pas op, dit mes in de keuken is echt heel scherp. Watch out, this knife in the kitchen is really very sharp. |
| zwaar Met veel gewicht, moeilijk om te dragen. | heavy | Mijn tas met boeken is vandaag echt veel te zwaar. My bag with books is really far too heavy today. |
| licht Met weinig gewicht, makkelijk om te dragen. | light (not heavy) | Deze jas is heel licht, dus ik neem hem mee naar school. This coat is very light, so I take it with me to school. |
| donker Zonder licht, zoals in de nacht. | dark | In de winter wordt het hier al om vijf uur donker. In winter it already gets dark here at five o'clock. |
| prettig Fijn om te hebben of om te doen. Synonyms: fijn | pleasant / nice | Wij hebben een prettig huis met een grote tuin achter de keuken. We have a pleasant house with a big garden behind the kitchen. |
| gekinformal Raar of grappig, niet gewoon. | crazy / silly | Mijn broer heeft vandaag een gekke muts op naar school. My brother is wearing a silly hat to school today. |
| raarinformal Anders dan normaal, een beetje vreemd. Synonyms: vreemd | strange / weird | Die soep smaakt een beetje raar, ik drink liever water. That soup tastes a bit strange, I would rather drink water. |
| glad Zo dat je er makkelijk kunt uitglijden. | slippery / smooth | De vloer in de badkamer is glad na het douchen. The floor in the bathroom is slippery after showering. |
| plat Helemaal recht, zonder hoge of lage stukken. | flat | Het dak van ons huis is plat, dus we zitten daar vaak. The roof of our house is flat, so we often sit there. |
| smeriginformal Heel erg vies en niet schoon. Synonyms: vies | filthy / dirty | Mijn schoenen zijn smerig na het spelen in het natte park. My shoes are filthy after playing in the wet park. |
| stominformal Niet leuk of niet slim. Synonyms: dom | stupid / dumb | Ik vind die film echt stom, maar mijn zus vindt hem leuk. I think that film is really stupid, but my sister likes it. |
| graag gedaaninformal Dit zeg je als iemand je bedankt. Synonyms: geen dank | you are welcome | Dank je wel voor de koffie! Graag gedaan, tot morgen. Thank you for the coffee! You are welcome, see you tomorrow. |
| hoe heet jeinformal Zo vraag je hoe iemand genoemd wordt. | what is your name | Hallo, hoe heet je? Ik ben Bram en ik woon hier. Hello, what is your name? I am Bram and I live here. |
| veel plezierinformal Dit wens je iemand die iets leuks gaat doen. | have fun | Veel plezier op het feest, tot morgen bij het ontbijt! Have fun at the party, see you tomorrow at breakfast! |
| prettige dagformal Dit zeg je als je iemand een fijne dag wenst. | have a nice day | Tot ziens meneer, en nog een prettige dag verder! Goodbye sir, and enjoy the rest of your day! |
Documentation — Public Decks — Anki Alternative — Contact — Privacy — Terms