Dutch words for everyday conversations (CEFR A2). Opinions, feelings, personality, social interactions, making plans, and giving advice.
A real study session, right now. No signup.
| Word | Translation | Example |
|---|---|---|
| het gesprek Het-woord: "een goed gesprek" = a good conversation; "in gesprek" = line busy! | the conversation | We hadden een goed gesprek. We had a good conversation. |
| de mening "naar mijn mening" = in my opinion; "een mening hebben" — Nederlanders hebben er altijd één! | the opinion | Wat is jouw mening over dit onderwerp? What is your opinion on this topic? |
| het idee Het-woord: "Goed idee!" = good idea! "Geen idee!" = no idea! | the idea | Dat is een goed idee! That is a good idea! |
| de afspraak "een afspraak maken" = make an appointment — de Nederlandse agenda is heilig: afspraak is afspraak! | the appointment / date | Ik heb morgen een afspraak bij de dokter. I have an appointment at the doctor tomorrow. |
| het feest Het-woord: "een feestje geven" = throw a party — met verjaardagskalender op de wc! | the party | We organiseren een feest voor haar verjaardag. We are organizing a party for her birthday. |
| de verjaardag "Gefeliciteerd met je verjaardag!" — en dan feliciteer je ook de hele familie: "Gefeliciteerd met je moeder!" | the birthday | Mijn verjaardag is in maart. My birthday is in March. |
| het cadeau Het-woord, uit het Frans: "een cadeautje geven" — met het bonnetje erbij, voor het ruilen! | the gift / present | Ik heb een cadeau voor je gekocht. I bought a gift for you. |
| de uitnodiging "een uitnodiging krijgen" = receive an invitation. Van uitnodigen. | the invitation | Dankjewel voor de uitnodiging. Thank you for the invitation. |
| het advies Het-woord: "advies geven" = give advice; "een goed advies". | the advice | Kun je mij advies geven? Can you give me advice? |
| de reden "de reden waarom" = the reason why; "om die reden" = for that reason. | the reason | Wat is de reden voor je bezoek? What is the reason for your visit? |
| het probleem Het-woord: "Geen probleem!" = no problem! "een probleem oplossen" = solve. | the problem | Ik heb een probleem met mijn computer. I have a problem with my computer. |
| de oplossing "een oplossing vinden" = find a solution. Van oplossen = to solve. | the solution | We moeten een oplossing zoeken. We need to look for a solution. |
| het verhaal Het-woord: "een mooi verhaal vertellen" = tell a nice story; "lang verhaal kort" = long story short! | the story | Zij vertelt een grappig verhaal. She tells a funny story. |
| de grap "een grap maken" = make a joke; "Grapje!" = just kidding! | the joke | Hij maakt altijd grappen. He always makes jokes. |
| het nieuws Het-woord: "het nieuws kijken" — het NOS Journaal van acht uur! | the news | Heb je het nieuws al gehoord? Have you heard the news yet? |
| het onderwerp Het-woord: "van onderwerp veranderen" = change the subject. | the subject / topic | Laten we van onderwerp veranderen. Let's change the subject. |
| de vraag "een vraag stellen" = ask a question — stellen, niet "vragen"! "goede vraag!" | the question | Mag ik je een vraag stellen? May I ask you a question? |
| het antwoord Het-woord: "het juiste antwoord" = the right answer. | the answer | Ik weet het antwoord niet. I don't know the answer. |
| de fout "een fout maken" = make a mistake — van fouten leer je! | the mistake | Iedereen maakt fouten. Everyone makes mistakes. |
| de waarheid "de waarheid vertellen" = tell the truth — Nederlanders zijn er berucht direct in! | the truth | Je moet altijd de waarheid vertellen. You must always tell the truth. |
| de leugen "een leugentje om bestwil" = a white lie! Van liegen. | the lie | Dat was een leugen. That was a lie. |
| het geheim Het-woord: "een geheim bewaren" = keep a secret; "in het geheim" = secretly. | the secret | Kun je een geheim bewaren? Can you keep a secret? |
| de belofte "een belofte doen" = make a promise; "belofte maakt schuld" = a promise is a promise! | the promise | Ik heb een belofte gedaan. I made a promise. |
| de herinnering "mooie herinneringen" = beautiful memories. Van herinneren. | the memory | Ik heb mooie herinneringen aan die vakantie. I have beautiful memories of that vacation. |
| de ervaring "ervaring hebben met" = have experience with; "uit ervaring" = from experience. | the experience | Dat was een bijzondere ervaring. That was a special experience. |
| de relatie "een relatie hebben" = to be in a relationship; "een goede relatie met". | the relationship | Zij hebben een goede relatie. They have a good relationship. |
| de buur "de buren" = the neighbors — "beter een goede buur dan een verre vriend"! | the neighbor | Onze buren zijn heel aardig. Our neighbors are very kind. |
| de collega "een leuke collega" — samen koffie halen bij de automaat! | the colleague | Mijn collega is vandaag ziek. My colleague is sick today. |
| het karakter Het-woord: "een sterk karakter" = a strong personality. | the character / personality | Zij heeft een sterk karakter. She has a strong character. |
| het humeur Het-woord: "in een goed humeur" = in a good mood; "slecht humeur" = bad mood! | the mood | Hij is vandaag in een goed humeur. He is in a good mood today. |
| het gevoel Het-woord: "een goed gevoel hebben over" = have a good feeling about. | the feeling | Ik heb een goed gevoel over dit project. I have a good feeling about this project. |
| de emotie "emoties tonen" = show emotions — niet te veel, vindt de nuchtere Nederlander! | the emotion | Hij toont zelden zijn emoties. He rarely shows his emotions. |
| het geluk Het-woord, twee betekenissen: "geluk hebben" = be lucky; "geluk vinden" = find happiness! | the happiness / luck | Geluk is belangrijker dan geld. Happiness is more important than money. |
| de pijn "pijn hebben" = to be in pain; "Het doet pijn!" = it hurts! | the pain | Ik heb veel pijn in mijn rug. I have a lot of pain in my back. |
| de stress "stress hebben" = to be stressed; "geen stress!" = no worries! | the stress | Ik heb veel stress op het werk. I have a lot of stress at work. |
| de angst "angst voor spinnen" = fear of spiders. Van bang zijn. | the fear / anxiety | Hij heeft angst voor het donker. He has a fear of the dark. |
| de rust "rust nemen" = take a rest; "rust en ruimte" — waar Nederlanders van dromen! | the rest / peace | Ik heb behoefte aan rust. I need rest. |
| aardig "een aardige buurman" = a nice neighbor; "Dat is aardig van je!" = that's kind of you! Synonyms: vriendelijk, lief | kind / nice | De buren zijn heel aardig. The neighbors are very kind. |
| grappig "een grappig verhaal" = a funny story. Van de grap! | funny | Hij is een grappige man. He is a funny man. |
| slim "een slimme oplossing" = a clever solution; "Slim bedacht!" = clever thinking! | smart / clever | Zij is een slim meisje. She is a smart girl. |
| dom "een domme fout" = a stupid mistake; "Wat dom van mij!" = how silly of me! | stupid / dumb | Dat was een domme fout. That was a stupid mistake. |
| eerlijk "eerlijk gezegd" = honestly — de Nederlandse directheid! "Eerlijk duurt het langst!" | honest | Wees eerlijk tegen mij. Be honest with me. |
| vriendelijk "vriendelijke groeten" = kind regards — dé e-mailafsluiting (mvg)! Synonyms: aardig | friendly | De mensen hier zijn heel vriendelijk. The people here are very friendly. |
| onbeleefd "Dat is onbeleefd!" = that's rude! On- + beleefd. | rude / impolite | Het is onbeleefd om te laat te komen. It is rude to arrive late. |
| beleefd "beleefd blijven" = stay polite; met u praten is beleefd! | polite | Hij is altijd heel beleefd. He is always very polite. |
| verlegen "een verlegen kind" = a shy child. | shy | Het meisje is een beetje verlegen. The girl is a little shy. |
| dapper "Wat dapper!" = how brave! "dapper zijn bij de tandarts". Synonyms: moedig | brave | De brandweerman is heel dapper. The firefighter is very brave. |
| lui "een luie zondag" = a lazy Sunday — heerlijk! | lazy | Op zondag ben ik een beetje lui. On Sunday I am a bit lazy. |
| serieus "Serieus?" = seriously? "een serieus gesprek". | serious | Dit is een serieus probleem. This is a serious problem. |
| geduldig "geduldig wachten" = wait patiently. Het geduld = the patience. | patient | Een leraar moet geduldig zijn. A teacher must be patient. |
| nieuwsgierig "nieuwsgierig naar" = curious about — letterlijk: begerig naar nieuws! | curious | Kinderen zijn altijd nieuwsgierig. Children are always curious. |
| jaloers "jaloers op" = jealous of: "Ik ben jaloers op je vakantie!" | jealous | Hij is jaloers op zijn broer. He is jealous of his brother. |
| teleurgesteld "teleurgesteld in" = disappointed in. De teleurstelling = the disappointment. | disappointed | Ik ben teleurgesteld in het resultaat. I am disappointed in the result. |
| enthousiast "enthousiast over" = enthusiastic about; "enthousiast worden" = get excited! | enthusiastic | De kinderen zijn enthousiast over het uitstapje. The children are enthusiastic about the trip. |
| bezorgd "bezorgd om je" = worried about you; "Maak je geen zorgen!" = don't worry! | worried / concerned | Ik ben bezorgd over mijn moeder. I am worried about my mother. |
| opgewonden "opgewonden voor de reis" = excited — let op: kan ook 'aroused' betekenen, context! | excited | We zijn opgewonden over de vakantie. We are excited about the vacation. |
| geschrokken "Ik ben me rot geschrokken!" = I got a big scare! Van schrikken (schrok, geschrokken). | startled / shocked | Ik ben geschrokken van het lawaai. I was startled by the noise. |
| dankbaar "dankbaar voor" = grateful for. De dankbaarheid = gratitude. | grateful | Ik ben dankbaar voor je hulp. I am grateful for your help. |
| ongerust "ongerust over" = worried about; "Wees niet ongerust!" = don't worry! Synonyms: bezorgd | anxious / uneasy | Mijn ouders zijn ongerust over mij. My parents are anxious about me. |
| vreemd "Vreemd…" = strange…; "een vreemde" = a stranger! Synonyms: raar, gek | strange / odd | Wat een vreemd verhaal. What a strange story. |
| normaal "Doe normaal!" = act normal — "Doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg!" is hét Nederlandse motto! Synonyms: gewoon | normal | Dat is heel normaal in Nederland. That is very normal in the Netherlands. |
| mogelijk "zo snel mogelijk" = as soon as possible; "Alles is mogelijk!" | possible | Is het mogelijk om morgen te komen? Is it possible to come tomorrow? |
| onmogelijk "Dat is onmogelijk!" = that's impossible! On- maakt het tegendeel. | impossible | Dat is onmogelijk! That is impossible! |
| zeker "Weet je het zeker?" = are you sure? "Ja, zeker!" = yes, definitely! | sure / certain | Ik weet het zeker. I am sure of it. |
| nodig "nodig hebben" = to need: "Ik heb hulp nodig!" = I need help! | necessary / needed | Dat is niet nodig. That is not necessary. |
| beschikbaar "Ben je morgen beschikbaar?" = are you available tomorrow? | available | Ben je morgen beschikbaar? Are you available tomorrow? |
| terecht "een terechte vraag" = a fair question; "terecht of onterecht" = rightly or wrongly. | rightly / justified | Je bent terecht boos. You are rightly angry. |
| eigenlijk Stopwoord nummer 1! "Eigenlijk wel." = actually yes; "Wat wil je eigenlijk?" = what do you actually want? | actually / really | Eigenlijk heb ik geen zin. Actually, I don't feel like it. |
| eerder "eerder vertrekken" = leave earlier; "eerder een kwestie van…" = rather a matter of… | earlier / rather | Ik heb hem eerder gezien. I have seen him before. |
| tenminste "tenminste tien euro" = at least ten euros; "…tenminste, dat denk ik." = at least, I think so. | at least | Het duurt tenminste een uur. It takes at least one hour. |
| daarom "Het regent, daarom blijf ik thuis." "Waarom? Daarom!" = because I say so! Synonyms: dus | that is why / therefore | Het regent, daarom blijf ik thuis. It is raining, that is why I stay home. |
| trouwens "Trouwens, heb je het gehoord?" = by the way, did you hear? — gesprekswisselaar! | by the way | Trouwens, hoe gaat het met je zus? By the way, how is your sister? |
| inderdaad "Inderdaad!" = indeed, exactly! — dé beleefde bevestiging. | indeed | Ja, dat klopt inderdaad. Yes, that is indeed correct. |
| helaas "Helaas niet." = unfortunately not; "Helaas pindakaas!" = too bad (letterlijk: peanut butter)! | unfortunately | Helaas kan ik niet komen. Unfortunately, I cannot come. |
| gelukkig maar "Gelukkig maar!" = thank goodness! — opluchting in twee woorden. | fortunately / luckily | Gelukkig maar, niemand is gewond. Fortunately, nobody is hurt. |
| blijkbaar "Blijkbaar is hij ziek." = apparently he's sick. | apparently | Blijkbaar is hij al vertrokken. Apparently he has already left. |
| volgens "volgens mij" = in my opinion / I think — dé Nederlandse meningsopener! | according to | Volgens mij is dat niet waar. In my opinion that is not true. |
| bijvoorbeeld "zoals bijvoorbeeld…" — afgekort: bijv. of bv. | for example | Ik houd van fruit, bijvoorbeeld appels en bananen. I like fruit, for example apples and bananas. |
| uitleggen Scheidbaar: "Ik leg het uit." = I'll explain. "Kun je dat uitleggen?" | to explain | Kun je dat uitleggen? Can you explain that? |
| vertellen "een verhaal vertellen" = tell a story; "Vertel!" = do tell! | to tell | Vertel mij over je vakantie. Tell me about your vacation. |
| bespreken "het plan bespreken" = discuss the plan — samen doornemen. | to discuss | We moeten dit probleem bespreken. We need to discuss this problem. |
| afspreken Scheidbaar: "Zullen we afspreken?" = shall we meet up? "We spreken om drie uur af." | to arrange / to meet up | Zullen we iets afspreken? Shall we arrange something? |
| voorstellen Scheidbaar: "Mag ik me even voorstellen?" = may I introduce myself? "Ik stel voor dat…" = I suggest… | to introduce / to suggest | Mag ik mij even voorstellen? May I introduce myself? |
| uitnodigen Scheidbaar: "Ik nodig je uit voor mijn feestje!" — nodigen…uit! | to invite | Ik wil je uitnodigen voor mijn feest. I want to invite you to my party. |
| beloven "Ik beloof het!" = I promise! "Beloofd is beloofd!" = a promise is a promise. | to promise | Ik beloof dat ik op tijd kom. I promise that I will be on time. |
| feliciteren "Gefeliciteerd!" = congratulations! Op een verjaardag feliciteer je iederéén in de kamer! | to congratulate | Ik wil je feliciteren met je verjaardag. I want to congratulate you on your birthday. |
| bedanken "iemand bedanken voor" = thank someone for. "Bedankt!" = thanks! | to thank | Ik wil je bedanken voor alles. I want to thank you for everything. |
| verontschuldigenformal "zich verontschuldigen" = to apologize — formeel; informeel zeg je gewoon sorry! | to apologize | Ik wil mij verontschuldigen voor mijn gedrag. I want to apologize for my behavior. |
| vergeten Verleden: vergat, vergeten. "Ik ben het vergeten!" = I forgot — met zijn! | to forget | Ik ben je naam vergeten. I have forgotten your name. |
| herinneren "zich herinneren" = to remember: "Ik herinner me…"; "herinneren aan" = remind of! | to remember | Ik herinner mij die dag nog goed. I still remember that day well. |
| voelen "zich voelen": "Ik voel me goed." = I feel good — met me! | to feel | Hoe voel je je vandaag? How do you feel today? |
| hopen "Ik hoop het!" = I hope so! "hopen op beter weer" = hope for better weather. | to hope | Ik hoop dat het morgen mooi weer is. I hope the weather is nice tomorrow. |
| wensen "Ik wens je veel succes!" = I wish you good luck! De wens = the wish. | to wish | Ik wens je veel succes. I wish you much success. |
| geloven "Ik geloof je." = I believe you; "geloven in" = believe in; "Ik geloof het wel." = I guess so. | to believe | Ik geloof niet dat het waar is. I don't believe it's true. |
| vertrouwen "Ik vertrouw je." = I trust you. Het vertrouwen = the trust. | to trust | Ik vertrouw je helemaal. I trust you completely. |
| klagen "klagen over het weer" = complain about the weather — nationale hobby, na het fietsen! | to complain | Hij klaagt altijd over het weer. He always complains about the weather. |
| ruziemaken "ruziemaken over geld" = argue about money. De ruzie = the argument. | to argue / to quarrel | Zij maken vaak ruzie over kleine dingen. They often argue about small things. |
| trouwen "trouwen met" = marry someone; "gaan trouwen" = get married. De bruiloft = the wedding! | to marry | Zij gaan volgende maand trouwen. They are going to get married next month. |
| scheiden "Ze zijn gescheiden." = they're divorced; ook: "afval scheiden" = separate waste! | to divorce / to separate | Na tien jaar zijn zij gescheiden. After ten years they divorced. |
| ontmoeten "nieuwe mensen ontmoeten" = meet new people; "Leuk je te ontmoeten!" | to meet | Leuk je te ontmoeten. Nice to meet you. |
| accepteren "een uitnodiging accepteren" = accept an invitation. Synonyms: aannemen | to accept | Ik accepteer je uitnodiging. I accept your invitation. |
| weigeren "een aanbod weigeren" = refuse an offer — beleefd: "Nee, dank je." | to refuse | Hij weigert om te helpen. He refuses to help. |
| beweren "Hij beweert dat…" = he claims that… — nog niet bewezen! | to claim | Hij beweert dat hij onschuldig is. He claims that he is innocent. |
| toegeven Scheidbaar: "Geef maar toe!" = just admit it! "Ik geef toe dat…" | to admit | Ik moet toegeven dat je gelijk hebt. I must admit that you are right. |
| liegen Verleden: loog, gelogen. "Lieg niet!" = don't lie! De leugen = the lie. | to lie | Je mag niet liegen. You must not lie. |
| beschrijven Verleden: beschreef, beschreven. "Kun je het beschrijven?" = can you describe it? | to describe | Kun je het probleem beschrijven? Can you describe the problem? |
| vergelijken Verleden: vergeleek, vergeleken. "prijzen vergelijken" = compare prices; "vergeleken met" = compared to. | to compare | Je kunt die twee niet vergelijken. You cannot compare those two. |
| waarschuwen "Ik waarschuw je!" = I'm warning you! De waarschuwing = the warning. | to warn | Ik wil je waarschuwen voor die man. I want to warn you about that man. |
| adviseren "Ik adviseer je om…" = I advise you to… Het advies = the advice. Synonyms: aanraden | to advise | De dokter adviseert mij om meer te rusten. The doctor advises me to rest more. |
| aanbieden Scheidbaar: "Hij bood zijn hulp aan." = he offered his help. De aanbieding = the offer/deal! | to offer | Kan ik je iets te drinken aanbieden? Can I offer you something to drink? |
| reageren "reageren op een bericht" = respond to a message. De reactie = the reaction. | to react / to respond | Hij reageerde niet op mijn bericht. He did not respond to my message. |
| begrijpelijk "Dat is begrijpelijk." = that's understandable. Van begrijpen. | understandable | Dat is heel begrijpelijk. That is very understandable. |
| interessant "een interessant verhaal"; "Interessant!" — soms ook ironisch bedoeld! Synonyms: boeiend | interesting | Dat boek is heel interessant. That book is very interesting. |
| saai "een saaie film" = a boring movie; "Saai!" = boring! | boring | De film was heel saai. The movie was very boring. |
| gezellig HET onvertaalbare Nederlandse woord! Warm, samen, fijn: "Wat gezellig!" — een café, een avond, een mens: alles kan gezellig zijn! | cozy / sociable | Het was een gezellige avond. It was a cozy evening. |
| vervelend "Wat vervelend voor je!" = how annoying for you — hét medeleven-zinnetje! | annoying / unpleasant | Wat vervelend dat je ziek bent. How annoying that you are sick. |
| fijn "Fijn weekend!" = have a nice weekend! "Dat is fijn!" = that's nice! Synonyms: prettig, leuk | nice / fine / pleasant | Wat fijn dat je er bent! How nice that you are here! |
| lastig "een lastige vraag" = a tricky question; "Lastig…" = that's tough… Synonyms: moeilijk | difficult / tricky | Het is een lastige situatie. It is a tricky situation. |
| handig "Handig!" = convenient! "een handige app"; "handig zijn" = to be good with your hands! | handy / practical | Dat is een heel handig apparaat. That is a very handy device. |
| ongelooflijk "Ongelooflijk!" = unbelievable! Van geloven — on-geloof-lijk. | unbelievable / incredible | Dat is ongelooflijk! That is unbelievable! |
| heerlijk "Heerlijk!" = delicious (eten) of wonderful (weer, vakantie) — genieten! Synonyms: lekker | wonderful / delicious | Het eten was heerlijk. The food was delicious. |
| verschrikkelijk "verschrikkelijk weer" = terrible weather; "Verschrikkelijk!" = how awful! Synonyms: vreselijk | terrible / awful | Het weer was verschrikkelijk. The weather was terrible. |
| de situatie "een lastige situatie" = a tricky situation. | the situation | De situatie is ingewikkeld. The situation is complicated. |
| het verschil Het-woord: "het verschil tussen… en…" = the difference between. | the difference | Wat is het verschil tussen deze twee? What is the difference between these two? |
| de keuze "een keuze maken" = make a choice; "Goede keuze!" = good choice! | the choice | Je hebt een goede keuze gemaakt. You made a good choice. |
| het voorbeeld Het-woord: "een voorbeeld geven" = give an example; "het goede voorbeeld geven"! | the example | Kun je een voorbeeld geven? Can you give an example? |
| de verandering "een grote verandering" = a big change. Van veranderen. | the change | Er zijn veel veranderingen in ons bedrijf. There are many changes in our company. |
| het voordeel Het-woord: "voor- en nadelen" = pros and cons! | the advantage | Het grote voordeel is de prijs. The big advantage is the price. |
| het nadeel Het-woord: "het grootste nadeel" = the biggest downside. | the disadvantage | Het nadeel is dat het ver weg is. The disadvantage is that it is far away. |
| het doel Het-woord: "een doel stellen" = set a goal; bij voetbal: het doel = the goal! | the goal / purpose | Mijn doel is om Nederlands te leren. My goal is to learn Dutch. |
| de toekomst "in de toekomst" = in the future; "plannen voor de toekomst". | the future | Wat zijn je plannen voor de toekomst? What are your plans for the future? |
| het verleden Het-woord: "in het verleden" = in the past. | the past | In het verleden was dit een fabriek. In the past this was a factory. |
| de kans "een kans krijgen" = get a chance; "grote kans!" = quite likely! | the chance / opportunity | Dit is een goede kans. This is a good opportunity. |
| het plan Het-woord: "een plan maken"; "van plan zijn" = to intend! | the plan | Wat is je plan voor het weekend? What is your plan for the weekend? |
| de rij "in de rij staan" = stand in line — netjes wachten! | the row / queue | Er staat een lange rij voor de kassa. There is a long queue at the checkout. |
| het geluid Het-woord: "een raar geluid" = a strange sound; "geluidsoverlast" = noise nuisance. | the sound / noise | Wat is dat voor geluid? What is that sound? |
| de sfeer "een goede sfeer" = a nice atmosphere — gezelligheid meet je aan de sfeer! | the atmosphere | De sfeer in het restaurant was heel prettig. The atmosphere in the restaurant was very pleasant. |
| het bezoek Het-woord: "op bezoek gaan" = pay a visit; "bezoek krijgen" = have visitors — mét koffie en één koekje! | the visit | Bedankt voor je bezoek. Thank you for your visit. |
| de buurt "in de buurt" = nearby; "een leuke buurt" = a nice neighborhood. Synonyms: de wijk | the neighborhood | Ik woon in een leuke buurt. I live in a nice neighborhood. |
| de leeftijd "Wat is je leeftijd?" — of gewoon: "Hoe oud ben je?" | the age | Wat is je leeftijd? What is your age? |
| het geduld Het-woord: "geduld hebben" = to be patient; "Even geduld a.u.b.!" = one moment please! | the patience | Je moet meer geduld hebben. You must have more patience. |
| het zelfvertrouwen Het-woord: zelf + vertrouwen: "meer zelfvertrouwen krijgen" = gain confidence. | the self-confidence | Zij heeft veel zelfvertrouwen. She has a lot of self-confidence. |
| de humor "gevoel voor humor" = sense of humor — droge humor is de Nederlandse specialiteit! | the humor | Hij heeft een goed gevoel voor humor. He has a good sense of humor. |
| het respect Het-woord: "respect hebben voor" = have respect for; "Respect!" = kudos! | the respect | Je moet respect hebben voor anderen. You must have respect for others. |
| de moeite "de moeite waard" = worth it! "Geen moeite!" = no trouble at all! | the effort / trouble | Het is de moeite waard. It is worth the effort. |
| kiezen Verleden: koos, gekozen. "Kies maar!" = you choose! "kiezen tussen" = choose between. | to choose | Je moet nu kiezen. You have to choose now. |
| beslissen "Jij mag beslissen!" = you get to decide! De beslissing = the decision. | to decide | We moeten snel beslissen. We have to decide quickly. |
| twijfelen "Ik twijfel nog." = I'm still not sure; "twijfelen aan" = doubt something. De twijfel = the doubt. | to doubt / to hesitate | Ik twijfel over mijn keuze. I am doubting my choice. |
| lachen Verleden: lachte, gelachen. "Lachen!" = fun! "lachen om" = laugh at. | to laugh | We hebben veel gelachen. We laughed a lot. |
| huilen "huilen van geluk" = cry with joy; "moet je niet om huilen" = nothing to cry about. | to cry | De baby huilt. The baby is crying. |
| schreeuwen "Niet schreeuwen!" = don't shout! Verleden: schreeuwde. Synonyms: roepen | to shout / to scream | Je hoeft niet te schreeuwen. You don't need to shout. |
| fluisteren "iets in je oor fluisteren" = whisper in your ear. Tegenovergestelde: schreeuwen. | to whisper | Zij fluisterde iets in mijn oor. She whispered something in my ear. |
| roepen Verleden: riep, geroepen. "om hulp roepen" = call for help; "Ik kom eraan!" roep je terug! | to call out / to shout | De moeder roept haar kinderen. The mother calls her children. |
| zwak "een zwak moment" = a weak moment. Tegenovergestelde: sterk. | weak | Na de ziekte voelde ik mij zwak. After the illness I felt weak. |
| sterk "sterke koffie" = strong coffee; "Sterkte!" = hang in there — bij moeilijke tijden! | strong | Hij is heel sterk. He is very strong. |
| dik "een dik boek" = a thick book; "dikke vrienden" = best friends! | fat / thick | Het boek is heel dik. The book is very thick. |
| dun "dun ijs" = thin ice — pas op met schaatsen! "een dun boekje". | thin | De muren zijn heel dun. The walls are very thin. |
| knap "een knappe man" = handsome; ook: "Knap gedaan!" = well done, clever! | handsome / pretty | Hij is een knappe man. He is a handsome man. |
| lief "Wat lief!" = how sweet! "een lief kind" = a sweet child; "Lieve Jan" = Dear Jan (brief)! | sweet / dear | Wat lief van je! How sweet of you! |
| streng "een strenge leraar" = a strict teacher; "strenge regels" = strict rules. | strict | De leraar is heel streng. The teacher is very strict. |
| rustig "Rustig aan!" = take it easy! "een rustige buurt" = a quiet neighborhood. Synonyms: kalm, stil | calm / quiet | Blijf rustig, er is niets aan de hand. Stay calm, nothing is wrong. |
| zorgzaam "een zorgzame moeder" = a caring mother. Van zorgen voor = care for. | caring | Zij is een heel zorgzame moeder. She is a very caring mother. |
| ijverig "een ijverige student" = a diligent student. Let op: begint met lange IJ! | hardworking / diligent | Zij is een ijverige studente. She is a diligent student. |
| het bericht Het-woord: "een berichtje sturen" = send a message — via de app natuurlijk! | the message | Ik heb je bericht ontvangen. I received your message. |
| de taal "een taal leren" = learn a language; "de Nederlandse taal" — goed bezig! | the language | Nederlands is een mooie taal. Dutch is a beautiful language. |
| het woord Het-woord: "een nieuw woord leren"; meervoud: woorden. | the word | Ik ken dat woord niet. I don't know that word. |
| de zin Twee betekenissen: "een zin schrijven" = sentence; "zin hebben in" = feel like: "Ik heb zin in koffie!" | the sentence / the desire | Kun je die zin herhalen? Can you repeat that sentence? |
| de betekenis "Wat is de betekenis van…?" = what's the meaning of…? Van betekenen. | the meaning | Wat is de betekenis van dit woord? What is the meaning of this word? |
| het accent Het-woord: "een licht accent hebben" — een accent is charmant, zeggen Nederlanders! | the accent | Je hebt een leuk accent. You have a nice accent. |
| de uitspraak "de uitspraak van de g" — dé Nederlandse uitdaging: de harde G! | the pronunciation | De uitspraak van dat woord is moeilijk. The pronunciation of that word is difficult. |
| de brief "een brief schrijven" = write a letter; meervoud: brieven. | the letter (mail) | Ik heb een brief geschreven. I wrote a letter. |
| het meisje Het-woord — alle verkleinwoorden op -je zijn het-woorden! "een klein meisje". | the girl | Het meisje speelt in het park. The girl plays in the park. |
| de jongen "een jongen van tien" = a ten-year-old boy; "Hé jongens!" = hey guys (ook voor gemengde groepen)! | the boy | De jongen fietst naar school. The boy cycles to school. |
| het stel Het-woord: "een leuk stel" = a nice couple. | the couple | Het stel woont samen in Amsterdam. The couple lives together in Amsterdam. |
| de bruiloft "op een bruiloft dansen" = dance at a wedding. | the wedding | De bruiloft was heel mooi. The wedding was very beautiful. |
| het huwelijk Het-woord: "een gelukkig huwelijk" = a happy marriage. | the marriage | Zij hebben een gelukkig huwelijk. They have a happy marriage. |
| de scheiding "na de scheiding" = after the divorce; ook: de scheiding in je haar = hair parting! | the divorce / separation | De scheiding was moeilijk voor iedereen. The divorce was difficult for everyone. |
| de groep "in een groep werken" = work in a group; "groep 8" = laatste klas basisschool! | the group | We werken in een kleine groep. We work in a small group. |
| het lid Het-woord: "lid worden van" = become a member of. Meervoud: leden! | the member | Ik ben lid van een sportclub. I am a member of a sports club. |
| eens zijn "Ik ben het met je eens!" = I agree with you — het + eens + met! | to agree | Ik ben het met je eens. I agree with you. |
| oneens zijn "Ik ben het oneens met…" = I disagree with — beleefd tegenspreken! | to disagree | Ik ben het oneens met dat plan. I disagree with that plan. |
| mee eens "Helemaal mee eens!" = totally agree! — dé vergaderzin. | in agreement | Ben je het daarmee eens? Do you agree with that? |
| het gelijk "gelijk hebben" = to be right: "Je hebt gelijk!" = you're right! | being right | Je hebt gelijk. You are right. |
| het ongelijk "ongelijk hebben" = to be wrong; "iemand ongelijk geven" = say someone's wrong. | being wrong | Ik had ongelijk. I was wrong. |
| de ruzie "ruzie hebben met" = have a fight with; "ruzie maken" = to quarrel. | the argument / quarrel | Zij hebben ruzie gehad. They had an argument. |
| de vrede "vrede sluiten" = make peace — Den Haag is de internationale stad van vrede en recht! | the peace | Laten we vrede sluiten. Let's make peace. |
| het excuus Het-woord: "excuses aanbieden" = to apologize; "een slecht excuus" = a bad excuse. | the excuse / apology | Dat is geen goed excuus. That is not a good excuse. |
| het compliment Het-woord: "een compliment geven" = give a compliment — Nederlanders zijn er zuinig mee! | the compliment | Dankjewel voor het compliment. Thank you for the compliment. |
| de kritiek "kritiek krijgen op" = receive criticism — de Nederlandse feedback is direct! | the criticism | Hij kan niet goed met kritiek omgaan. He cannot handle criticism well. |
| het succes Het-woord: "Succes!" = good luck! — zeg je vóór een examen of sollicitatie! | the success | Veel succes met je examen! Good luck with your exam! |
| het resultaat Het-woord: "een goed resultaat" = a good result. | the result | Het resultaat was beter dan verwacht. The result was better than expected. |
| schamen "zich schamen voor" = be ashamed of: "Ik schaam me!" De schaamte = the shame. | to be ashamed | Ik schaam mij voor mijn gedrag. I am ashamed of my behavior. |
| bewonderen "iemand bewonderen om" = admire someone for. De bewondering = admiration. | to admire | Ik bewonder haar doorzettingsvermogen. I admire her perseverance. |
| missen "Ik mis je!" = I miss you! Ook: "de trein missen" = miss the train! | to miss | Ik mis mijn familie. I miss my family. |
| storen "Stoor ik?" = am I disturbing you? "Niet storen!" = do not disturb! | to disturb / to bother | Sorry dat ik je stoor. Sorry to disturb you. |
| spijt hebben "spijt hebben van" = regret something: "Ik heb er spijt van." = I regret it. | to regret | Ik heb er spijt van. I regret it. |
| uitmaken Scheidbaar, twee betekenissen: "Ze heeft het uitgemaakt." = she broke up; "Het maakt niet uit!" = it doesn't matter! | to break up / to matter | Het maakt niet uit. It doesn't matter. |
| het gedrag Het-woord: "goed gedrag" = good behavior. Van zich gedragen = to behave. | the behavior | Zijn gedrag was onacceptabel. His behavior was unacceptable. |
| de uitdrukking "een Nederlandse uitdrukking" = a Dutch expression/idiom — zoals 'helaas pindakaas'! | the expression | Dat is een typisch Nederlandse uitdrukking. That is a typical Dutch expression. |
| de persoonlijkheid "een sterke persoonlijkheid" = a strong personality. | the personality | Zij heeft een sterke persoonlijkheid. She has a strong personality. |
| de stemming "in een goede stemming" = in a good mood; ook: de stemming = the vote! | the mood / atmosphere | De stemming op het feest was goed. The mood at the party was good. |
| eerlijk gezegd "Eerlijk gezegd vind ik het niks." = honestly, I don't like it — Nederlandse directheid! | honestly / to be honest | Eerlijk gezegd vind ik het niet leuk. Honestly, I don't like it. |
| aan de andere kant "Aan de andere kant is het wel duur." — de andere kant van het verhaal. | on the other hand | Aan de andere kant is het ook duur. On the other hand, it is also expensive. |
| op dit moment "Op dit moment ben ik bezig." = right now I'm busy. Synonyms: nu, momenteel | at this moment | Op dit moment heb ik geen tijd. At this moment I have no time. |
| in ieder geval "In ieder geval bedankt!" = thanks anyway! — ook: in elk geval. | in any case | In ieder geval bedankt voor je hulp. In any case, thanks for your help. |
| het punt Het-woord: "Dat is een goed punt!" = that's a good point! "punt uit!" = end of discussion! | the point | Dat is een goed punt. That is a good point. |
| tegenwoordig "Tegenwoordig werkt iedereen thuis." = nowadays everyone works from home. | nowadays | Tegenwoordig werken veel mensen thuis. Nowadays many people work from home. |
| overal "overal fietsen" = bikes everywhere — welkom in Nederland! | everywhere | Je kunt overal parkeren. You can park everywhere. |
| nergens "nergens te vinden" = nowhere to be found. | nowhere | Ik kan mijn sleutel nergens vinden. I can't find my key anywhere. |
| ooit "Ben je ooit in Parijs geweest?" = have you ever been? "ooit eens" = someday! | ever / once | Ben je ooit in Japan geweest? Have you ever been to Japan? |
| zodra "Zodra ik thuis ben, bel ik je." — werkwoord naar het einde! | as soon as | Zodra ik thuis ben, bel ik je. As soon as I am home, I will call you. |
| hoewel "Hoewel het regent, fietsen we." = although it rains — natuurlijk fietsen we! | although | Hoewel het regent, ga ik wandelen. Although it is raining, I am going for a walk. |
| terwijl "Terwijl ik kook, dek jij de tafel." = while I cook, you set the table. | while | Ik lees terwijl ik op de trein wacht. I read while I wait for the train. |
| tenzij "We gaan, tenzij het regent." = unless it rains — grote kans dus! | unless | Ik kom, tenzij het regent. I will come, unless it rains. |
| waardoor "Het regende, waardoor we thuisbleven." = which is why we stayed home. | because of which / which caused | Het sneeuwde, waardoor de treinen niet reden. It snowed, which caused the trains not to run. |
| steeds "steeds beter" = better and better; "steeds weer" = again and again. | increasingly / all the time | Het wordt steeds beter. It is getting better and better. |
| nauwelijks "Ik kon nauwelijks slapen." = I could hardly sleep. Synonyms: amper | barely / hardly | Ik heb nauwelijks geslapen. I have barely slept. |
| bovendien "Het is duur en bovendien te klein." = moreover, too small. | moreover / besides | Het is lekker, en bovendien gezond. It is tasty, and moreover healthy. |
| de indruk "een goede indruk maken" = make a good impression; "onder de indruk" = impressed! | the impression | Ik heb een goede indruk van hem. I have a good impression of him. |
| overdrijven Verleden: overdreef, overdreven. "Niet overdrijven!" = don't exaggerate — doe maar normaal! | to exaggerate | Je overdrijft een beetje. You are exaggerating a bit. |
| de discussie "een discussie voeren" = have a discussion — Nederlanders discussiëren graag (poldermodel)! | the discussion | We hadden een interessante discussie. We had an interesting discussion. |
| het standpunt Het-woord: "een standpunt innemen" = take a position. | the point of view | Ik begrijp jouw standpunt. I understand your point of view. |
| opvallen Scheidbaar: "Het valt me op dat…" = I notice that…; "opvallend" = striking! | to stand out / to notice | Het valt mij op dat je stil bent. I notice that you are quiet. |
| beledigen "iemand beledigen" = insult someone. De belediging = the insult. | to insult / to offend | Ik wil je niet beledigen. I don't want to offend you. |
| de afkorting Nederland is dol op afkortingen: a.u.b., mvg, ff (effe = even), z.s.m.! | the abbreviation | Wat betekent die afkorting? What does that abbreviation mean? |
| het gespreksonderwerp Het-woord: gesprek + s + onderwerp. Nummer 1 in Nederland: het weer! | the conversation topic | Politiek is een moeilijk gesprekonderwerp. Politics is a difficult conversation topic. |
| de verwachting "hoge verwachtingen" = high expectations; "de weersverwachting" = weather forecast! | the expectation | Dat was boven verwachting. That exceeded expectations. |
| de afleiding "afleiding zoeken" = seek distraction; "even afleiding" = a little diversion. | the distraction | Ik heb even afleiding nodig. I need a distraction for a moment. |
| de gelegenheid "bij deze gelegenheid" = on this occasion; "de gelegenheid krijgen" = get the opportunity. | the occasion / opportunity | Bij deze gelegenheid wil ik iets zeggen. On this occasion I want to say something. |
| uitspreken Scheidbaar: "Hoe spreek je dat uit?" = how do you pronounce that? — Scheveningen! | to pronounce / to express | Hoe spreek je dat woord uit? How do you pronounce that word? |
This deck has 239 words in total — copy it to your library to study them all.
Documentation — Public Decks — Anki Alternative — Contact — Privacy — Terms