← Back to Public Decks · Dutch Decks · Dutch vocabulary test

Dutch A2 — Conversations Official

Dutch words for everyday conversations (CEFR A2). Opinions, feelings, personality, social interactions, making plans, and giving advice.

CEFR A2 — Elementary
At this level you can handle daily routines, describe your background. Vocabulary: ~1,200 words (cumulative).
Phrases you'll learn
How do you say “the conversation” in Dutch?
“the conversation” is “het gesprek” in Dutch. For example: We hadden een goed gesprek. — We had a good conversation.
How do you say “the opinion” in Dutch?
“the opinion” is “de mening” in Dutch. For example: Wat is jouw mening over dit onderwerp? — What is your opinion on this topic?
How do you say “the idea” in Dutch?
“the idea” is “het idee” in Dutch. For example: Dat is een goed idee! — That is a good idea!
How do you say “the appointment / date” in Dutch?
“the appointment / date” is “de afspraak” in Dutch. For example: Ik heb morgen een afspraak bij de dokter. — I have an appointment at the doctor tomorrow.
Dutch → English 239 words ~24 days at 10 words/day 1 download A2
No ratings No ratings by admin@wordsonrepeat.com Jun 10, 2026
Try studying — no account needed

A real study session, right now. No signup.

Report issue with this deck

Word Preview — click grammar notes to expand

WordTranslationExample
het gesprek
Het-woord: "een goed gesprek" = a good conversation; "in gesprek" = line busy!
the conversation We hadden een goed gesprek.
We had a good conversation.
de mening
"naar mijn mening" = in my opinion; "een mening hebben" — Nederlanders hebben er altijd één!
the opinion Wat is jouw mening over dit onderwerp?
What is your opinion on this topic?
het idee
Het-woord: "Goed idee!" = good idea! "Geen idee!" = no idea!
the idea Dat is een goed idee!
That is a good idea!
de afspraak
"een afspraak maken" = make an appointment — de Nederlandse agenda is heilig: afspraak is afspraak!
the appointment / date Ik heb morgen een afspraak bij de dokter.
I have an appointment at the doctor tomorrow.
het feest
Het-woord: "een feestje geven" = throw a party — met verjaardagskalender op de wc!
the party We organiseren een feest voor haar verjaardag.
We are organizing a party for her birthday.
de verjaardag
"Gefeliciteerd met je verjaardag!" — en dan feliciteer je ook de hele familie: "Gefeliciteerd met je moeder!"
the birthday Mijn verjaardag is in maart.
My birthday is in March.
het cadeau
Het-woord, uit het Frans: "een cadeautje geven" — met het bonnetje erbij, voor het ruilen!
the gift / present Ik heb een cadeau voor je gekocht.
I bought a gift for you.
de uitnodiging
"een uitnodiging krijgen" = receive an invitation. Van uitnodigen.
the invitation Dankjewel voor de uitnodiging.
Thank you for the invitation.
het advies
Het-woord: "advies geven" = give advice; "een goed advies".
the advice Kun je mij advies geven?
Can you give me advice?
de reden
"de reden waarom" = the reason why; "om die reden" = for that reason.
the reason Wat is de reden voor je bezoek?
What is the reason for your visit?
het probleem
Het-woord: "Geen probleem!" = no problem! "een probleem oplossen" = solve.
the problem Ik heb een probleem met mijn computer.
I have a problem with my computer.
de oplossing
"een oplossing vinden" = find a solution. Van oplossen = to solve.
the solution We moeten een oplossing zoeken.
We need to look for a solution.
het verhaal
Het-woord: "een mooi verhaal vertellen" = tell a nice story; "lang verhaal kort" = long story short!
the story Zij vertelt een grappig verhaal.
She tells a funny story.
de grap
"een grap maken" = make a joke; "Grapje!" = just kidding!
the joke Hij maakt altijd grappen.
He always makes jokes.
het nieuws
Het-woord: "het nieuws kijken" — het NOS Journaal van acht uur!
the news Heb je het nieuws al gehoord?
Have you heard the news yet?
het onderwerp
Het-woord: "van onderwerp veranderen" = change the subject.
the subject / topic Laten we van onderwerp veranderen.
Let's change the subject.
de vraag
"een vraag stellen" = ask a question — stellen, niet "vragen"! "goede vraag!"
the question Mag ik je een vraag stellen?
May I ask you a question?
het antwoord
Het-woord: "het juiste antwoord" = the right answer.
the answer Ik weet het antwoord niet.
I don't know the answer.
de fout
"een fout maken" = make a mistake — van fouten leer je!
the mistake Iedereen maakt fouten.
Everyone makes mistakes.
de waarheid
"de waarheid vertellen" = tell the truth — Nederlanders zijn er berucht direct in!
the truth Je moet altijd de waarheid vertellen.
You must always tell the truth.
de leugen
"een leugentje om bestwil" = a white lie! Van liegen.
the lie Dat was een leugen.
That was a lie.
het geheim
Het-woord: "een geheim bewaren" = keep a secret; "in het geheim" = secretly.
the secret Kun je een geheim bewaren?
Can you keep a secret?
de belofte
"een belofte doen" = make a promise; "belofte maakt schuld" = a promise is a promise!
the promise Ik heb een belofte gedaan.
I made a promise.
de herinnering
"mooie herinneringen" = beautiful memories. Van herinneren.
the memory Ik heb mooie herinneringen aan die vakantie.
I have beautiful memories of that vacation.
de ervaring
"ervaring hebben met" = have experience with; "uit ervaring" = from experience.
the experience Dat was een bijzondere ervaring.
That was a special experience.
de relatie
"een relatie hebben" = to be in a relationship; "een goede relatie met".
the relationship Zij hebben een goede relatie.
They have a good relationship.
de buur
"de buren" = the neighbors — "beter een goede buur dan een verre vriend"!
the neighbor Onze buren zijn heel aardig.
Our neighbors are very kind.
de collega
"een leuke collega" — samen koffie halen bij de automaat!
the colleague Mijn collega is vandaag ziek.
My colleague is sick today.
het karakter
Het-woord: "een sterk karakter" = a strong personality.
the character / personality Zij heeft een sterk karakter.
She has a strong character.
het humeur
Het-woord: "in een goed humeur" = in a good mood; "slecht humeur" = bad mood!
the mood Hij is vandaag in een goed humeur.
He is in a good mood today.
het gevoel
Het-woord: "een goed gevoel hebben over" = have a good feeling about.
the feeling Ik heb een goed gevoel over dit project.
I have a good feeling about this project.
de emotie
"emoties tonen" = show emotions — niet te veel, vindt de nuchtere Nederlander!
the emotion Hij toont zelden zijn emoties.
He rarely shows his emotions.
het geluk
Het-woord, twee betekenissen: "geluk hebben" = be lucky; "geluk vinden" = find happiness!
the happiness / luck Geluk is belangrijker dan geld.
Happiness is more important than money.
de pijn
"pijn hebben" = to be in pain; "Het doet pijn!" = it hurts!
the pain Ik heb veel pijn in mijn rug.
I have a lot of pain in my back.
de stress
"stress hebben" = to be stressed; "geen stress!" = no worries!
the stress Ik heb veel stress op het werk.
I have a lot of stress at work.
de angst
"angst voor spinnen" = fear of spiders. Van bang zijn.
the fear / anxiety Hij heeft angst voor het donker.
He has a fear of the dark.
de rust
"rust nemen" = take a rest; "rust en ruimte" — waar Nederlanders van dromen!
the rest / peace Ik heb behoefte aan rust.
I need rest.
aardig
"een aardige buurman" = a nice neighbor; "Dat is aardig van je!" = that's kind of you!
Synonyms: vriendelijk, lief
kind / nice De buren zijn heel aardig.
The neighbors are very kind.
grappig
"een grappig verhaal" = a funny story. Van de grap!
funny Hij is een grappige man.
He is a funny man.
slim
"een slimme oplossing" = a clever solution; "Slim bedacht!" = clever thinking!
smart / clever Zij is een slim meisje.
She is a smart girl.
dom
"een domme fout" = a stupid mistake; "Wat dom van mij!" = how silly of me!
stupid / dumb Dat was een domme fout.
That was a stupid mistake.
eerlijk
"eerlijk gezegd" = honestly — de Nederlandse directheid! "Eerlijk duurt het langst!"
honest Wees eerlijk tegen mij.
Be honest with me.
vriendelijk
"vriendelijke groeten" = kind regards — dé e-mailafsluiting (mvg)!
Synonyms: aardig
friendly De mensen hier zijn heel vriendelijk.
The people here are very friendly.
onbeleefd
"Dat is onbeleefd!" = that's rude! On- + beleefd.
rude / impolite Het is onbeleefd om te laat te komen.
It is rude to arrive late.
beleefd
"beleefd blijven" = stay polite; met u praten is beleefd!
polite Hij is altijd heel beleefd.
He is always very polite.
verlegen
"een verlegen kind" = a shy child.
shy Het meisje is een beetje verlegen.
The girl is a little shy.
dapper
"Wat dapper!" = how brave! "dapper zijn bij de tandarts".
Synonyms: moedig
brave De brandweerman is heel dapper.
The firefighter is very brave.
lui
"een luie zondag" = a lazy Sunday — heerlijk!
lazy Op zondag ben ik een beetje lui.
On Sunday I am a bit lazy.
serieus
"Serieus?" = seriously? "een serieus gesprek".
serious Dit is een serieus probleem.
This is a serious problem.
geduldig
"geduldig wachten" = wait patiently. Het geduld = the patience.
patient Een leraar moet geduldig zijn.
A teacher must be patient.
nieuwsgierig
"nieuwsgierig naar" = curious about — letterlijk: begerig naar nieuws!
curious Kinderen zijn altijd nieuwsgierig.
Children are always curious.
jaloers
"jaloers op" = jealous of: "Ik ben jaloers op je vakantie!"
jealous Hij is jaloers op zijn broer.
He is jealous of his brother.
teleurgesteld
"teleurgesteld in" = disappointed in. De teleurstelling = the disappointment.
disappointed Ik ben teleurgesteld in het resultaat.
I am disappointed in the result.
enthousiast
"enthousiast over" = enthusiastic about; "enthousiast worden" = get excited!
enthusiastic De kinderen zijn enthousiast over het uitstapje.
The children are enthusiastic about the trip.
bezorgd
"bezorgd om je" = worried about you; "Maak je geen zorgen!" = don't worry!
worried / concerned Ik ben bezorgd over mijn moeder.
I am worried about my mother.
opgewonden
"opgewonden voor de reis" = excited — let op: kan ook 'aroused' betekenen, context!
excited We zijn opgewonden over de vakantie.
We are excited about the vacation.
geschrokken
"Ik ben me rot geschrokken!" = I got a big scare! Van schrikken (schrok, geschrokken).
startled / shocked Ik ben geschrokken van het lawaai.
I was startled by the noise.
dankbaar
"dankbaar voor" = grateful for. De dankbaarheid = gratitude.
grateful Ik ben dankbaar voor je hulp.
I am grateful for your help.
ongerust
"ongerust over" = worried about; "Wees niet ongerust!" = don't worry!
Synonyms: bezorgd
anxious / uneasy Mijn ouders zijn ongerust over mij.
My parents are anxious about me.
vreemd
"Vreemd…" = strange…; "een vreemde" = a stranger!
Synonyms: raar, gek
strange / odd Wat een vreemd verhaal.
What a strange story.
normaal
"Doe normaal!" = act normal — "Doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg!" is hét Nederlandse motto!
Synonyms: gewoon
normal Dat is heel normaal in Nederland.
That is very normal in the Netherlands.
mogelijk
"zo snel mogelijk" = as soon as possible; "Alles is mogelijk!"
possible Is het mogelijk om morgen te komen?
Is it possible to come tomorrow?
onmogelijk
"Dat is onmogelijk!" = that's impossible! On- maakt het tegendeel.
impossible Dat is onmogelijk!
That is impossible!
zeker
"Weet je het zeker?" = are you sure? "Ja, zeker!" = yes, definitely!
sure / certain Ik weet het zeker.
I am sure of it.
nodig
"nodig hebben" = to need: "Ik heb hulp nodig!" = I need help!
necessary / needed Dat is niet nodig.
That is not necessary.
beschikbaar
"Ben je morgen beschikbaar?" = are you available tomorrow?
available Ben je morgen beschikbaar?
Are you available tomorrow?
terecht
"een terechte vraag" = a fair question; "terecht of onterecht" = rightly or wrongly.
rightly / justified Je bent terecht boos.
You are rightly angry.
eigenlijk
Stopwoord nummer 1! "Eigenlijk wel." = actually yes; "Wat wil je eigenlijk?" = what do you actually want?
actually / really Eigenlijk heb ik geen zin.
Actually, I don't feel like it.
eerder
"eerder vertrekken" = leave earlier; "eerder een kwestie van…" = rather a matter of…
earlier / rather Ik heb hem eerder gezien.
I have seen him before.
tenminste
"tenminste tien euro" = at least ten euros; "…tenminste, dat denk ik." = at least, I think so.
at least Het duurt tenminste een uur.
It takes at least one hour.
daarom
"Het regent, daarom blijf ik thuis." "Waarom? Daarom!" = because I say so!
Synonyms: dus
that is why / therefore Het regent, daarom blijf ik thuis.
It is raining, that is why I stay home.
trouwens
"Trouwens, heb je het gehoord?" = by the way, did you hear? — gesprekswisselaar!
by the way Trouwens, hoe gaat het met je zus?
By the way, how is your sister?
inderdaad
"Inderdaad!" = indeed, exactly! — dé beleefde bevestiging.
indeed Ja, dat klopt inderdaad.
Yes, that is indeed correct.
helaas
"Helaas niet." = unfortunately not; "Helaas pindakaas!" = too bad (letterlijk: peanut butter)!
unfortunately Helaas kan ik niet komen.
Unfortunately, I cannot come.
gelukkig maar
"Gelukkig maar!" = thank goodness! — opluchting in twee woorden.
fortunately / luckily Gelukkig maar, niemand is gewond.
Fortunately, nobody is hurt.
blijkbaar
"Blijkbaar is hij ziek." = apparently he's sick.
apparently Blijkbaar is hij al vertrokken.
Apparently he has already left.
volgens
"volgens mij" = in my opinion / I think — dé Nederlandse meningsopener!
according to Volgens mij is dat niet waar.
In my opinion that is not true.
bijvoorbeeld
"zoals bijvoorbeeld…" — afgekort: bijv. of bv.
for example Ik houd van fruit, bijvoorbeeld appels en bananen.
I like fruit, for example apples and bananas.
uitleggen
Scheidbaar: "Ik leg het uit." = I'll explain. "Kun je dat uitleggen?"
to explain Kun je dat uitleggen?
Can you explain that?
vertellen
"een verhaal vertellen" = tell a story; "Vertel!" = do tell!
to tell Vertel mij over je vakantie.
Tell me about your vacation.
bespreken
"het plan bespreken" = discuss the plan — samen doornemen.
to discuss We moeten dit probleem bespreken.
We need to discuss this problem.
afspreken
Scheidbaar: "Zullen we afspreken?" = shall we meet up? "We spreken om drie uur af."
to arrange / to meet up Zullen we iets afspreken?
Shall we arrange something?
voorstellen
Scheidbaar: "Mag ik me even voorstellen?" = may I introduce myself? "Ik stel voor dat…" = I suggest…
to introduce / to suggest Mag ik mij even voorstellen?
May I introduce myself?
uitnodigen
Scheidbaar: "Ik nodig je uit voor mijn feestje!" — nodigen…uit!
to invite Ik wil je uitnodigen voor mijn feest.
I want to invite you to my party.
beloven
"Ik beloof het!" = I promise! "Beloofd is beloofd!" = a promise is a promise.
to promise Ik beloof dat ik op tijd kom.
I promise that I will be on time.
feliciteren
"Gefeliciteerd!" = congratulations! Op een verjaardag feliciteer je iederéén in de kamer!
to congratulate Ik wil je feliciteren met je verjaardag.
I want to congratulate you on your birthday.
bedanken
"iemand bedanken voor" = thank someone for. "Bedankt!" = thanks!
to thank Ik wil je bedanken voor alles.
I want to thank you for everything.
verontschuldigenformal
"zich verontschuldigen" = to apologize — formeel; informeel zeg je gewoon sorry!
to apologize Ik wil mij verontschuldigen voor mijn gedrag.
I want to apologize for my behavior.
vergeten
Verleden: vergat, vergeten. "Ik ben het vergeten!" = I forgot — met zijn!
to forget Ik ben je naam vergeten.
I have forgotten your name.
herinneren
"zich herinneren" = to remember: "Ik herinner me…"; "herinneren aan" = remind of!
to remember Ik herinner mij die dag nog goed.
I still remember that day well.
voelen
"zich voelen": "Ik voel me goed." = I feel good — met me!
to feel Hoe voel je je vandaag?
How do you feel today?
hopen
"Ik hoop het!" = I hope so! "hopen op beter weer" = hope for better weather.
to hope Ik hoop dat het morgen mooi weer is.
I hope the weather is nice tomorrow.
wensen
"Ik wens je veel succes!" = I wish you good luck! De wens = the wish.
to wish Ik wens je veel succes.
I wish you much success.
geloven
"Ik geloof je." = I believe you; "geloven in" = believe in; "Ik geloof het wel." = I guess so.
to believe Ik geloof niet dat het waar is.
I don't believe it's true.
vertrouwen
"Ik vertrouw je." = I trust you. Het vertrouwen = the trust.
to trust Ik vertrouw je helemaal.
I trust you completely.
klagen
"klagen over het weer" = complain about the weather — nationale hobby, na het fietsen!
to complain Hij klaagt altijd over het weer.
He always complains about the weather.
ruziemaken
"ruziemaken over geld" = argue about money. De ruzie = the argument.
to argue / to quarrel Zij maken vaak ruzie over kleine dingen.
They often argue about small things.
trouwen
"trouwen met" = marry someone; "gaan trouwen" = get married. De bruiloft = the wedding!
to marry Zij gaan volgende maand trouwen.
They are going to get married next month.
scheiden
"Ze zijn gescheiden." = they're divorced; ook: "afval scheiden" = separate waste!
to divorce / to separate Na tien jaar zijn zij gescheiden.
After ten years they divorced.
ontmoeten
"nieuwe mensen ontmoeten" = meet new people; "Leuk je te ontmoeten!"
to meet Leuk je te ontmoeten.
Nice to meet you.
accepteren
"een uitnodiging accepteren" = accept an invitation.
Synonyms: aannemen
to accept Ik accepteer je uitnodiging.
I accept your invitation.
weigeren
"een aanbod weigeren" = refuse an offer — beleefd: "Nee, dank je."
to refuse Hij weigert om te helpen.
He refuses to help.
beweren
"Hij beweert dat…" = he claims that… — nog niet bewezen!
to claim Hij beweert dat hij onschuldig is.
He claims that he is innocent.
toegeven
Scheidbaar: "Geef maar toe!" = just admit it! "Ik geef toe dat…"
to admit Ik moet toegeven dat je gelijk hebt.
I must admit that you are right.
liegen
Verleden: loog, gelogen. "Lieg niet!" = don't lie! De leugen = the lie.
to lie Je mag niet liegen.
You must not lie.
beschrijven
Verleden: beschreef, beschreven. "Kun je het beschrijven?" = can you describe it?
to describe Kun je het probleem beschrijven?
Can you describe the problem?
vergelijken
Verleden: vergeleek, vergeleken. "prijzen vergelijken" = compare prices; "vergeleken met" = compared to.
to compare Je kunt die twee niet vergelijken.
You cannot compare those two.
waarschuwen
"Ik waarschuw je!" = I'm warning you! De waarschuwing = the warning.
to warn Ik wil je waarschuwen voor die man.
I want to warn you about that man.
adviseren
"Ik adviseer je om…" = I advise you to… Het advies = the advice.
Synonyms: aanraden
to advise De dokter adviseert mij om meer te rusten.
The doctor advises me to rest more.
aanbieden
Scheidbaar: "Hij bood zijn hulp aan." = he offered his help. De aanbieding = the offer/deal!
to offer Kan ik je iets te drinken aanbieden?
Can I offer you something to drink?
reageren
"reageren op een bericht" = respond to a message. De reactie = the reaction.
to react / to respond Hij reageerde niet op mijn bericht.
He did not respond to my message.
begrijpelijk
"Dat is begrijpelijk." = that's understandable. Van begrijpen.
understandable Dat is heel begrijpelijk.
That is very understandable.
interessant
"een interessant verhaal"; "Interessant!" — soms ook ironisch bedoeld!
Synonyms: boeiend
interesting Dat boek is heel interessant.
That book is very interesting.
saai
"een saaie film" = a boring movie; "Saai!" = boring!
boring De film was heel saai.
The movie was very boring.
gezellig
HET onvertaalbare Nederlandse woord! Warm, samen, fijn: "Wat gezellig!" — een café, een avond, een mens: alles kan gezellig zijn!
cozy / sociable Het was een gezellige avond.
It was a cozy evening.
vervelend
"Wat vervelend voor je!" = how annoying for you — hét medeleven-zinnetje!
annoying / unpleasant Wat vervelend dat je ziek bent.
How annoying that you are sick.
fijn
"Fijn weekend!" = have a nice weekend! "Dat is fijn!" = that's nice!
Synonyms: prettig, leuk
nice / fine / pleasant Wat fijn dat je er bent!
How nice that you are here!
lastig
"een lastige vraag" = a tricky question; "Lastig…" = that's tough…
Synonyms: moeilijk
difficult / tricky Het is een lastige situatie.
It is a tricky situation.
handig
"Handig!" = convenient! "een handige app"; "handig zijn" = to be good with your hands!
handy / practical Dat is een heel handig apparaat.
That is a very handy device.
ongelooflijk
"Ongelooflijk!" = unbelievable! Van geloven — on-geloof-lijk.
unbelievable / incredible Dat is ongelooflijk!
That is unbelievable!
heerlijk
"Heerlijk!" = delicious (eten) of wonderful (weer, vakantie) — genieten!
Synonyms: lekker
wonderful / delicious Het eten was heerlijk.
The food was delicious.
verschrikkelijk
"verschrikkelijk weer" = terrible weather; "Verschrikkelijk!" = how awful!
Synonyms: vreselijk
terrible / awful Het weer was verschrikkelijk.
The weather was terrible.
de situatie
"een lastige situatie" = a tricky situation.
the situation De situatie is ingewikkeld.
The situation is complicated.
het verschil
Het-woord: "het verschil tussen… en…" = the difference between.
the difference Wat is het verschil tussen deze twee?
What is the difference between these two?
de keuze
"een keuze maken" = make a choice; "Goede keuze!" = good choice!
the choice Je hebt een goede keuze gemaakt.
You made a good choice.
het voorbeeld
Het-woord: "een voorbeeld geven" = give an example; "het goede voorbeeld geven"!
the example Kun je een voorbeeld geven?
Can you give an example?
de verandering
"een grote verandering" = a big change. Van veranderen.
the change Er zijn veel veranderingen in ons bedrijf.
There are many changes in our company.
het voordeel
Het-woord: "voor- en nadelen" = pros and cons!
the advantage Het grote voordeel is de prijs.
The big advantage is the price.
het nadeel
Het-woord: "het grootste nadeel" = the biggest downside.
the disadvantage Het nadeel is dat het ver weg is.
The disadvantage is that it is far away.
het doel
Het-woord: "een doel stellen" = set a goal; bij voetbal: het doel = the goal!
the goal / purpose Mijn doel is om Nederlands te leren.
My goal is to learn Dutch.
de toekomst
"in de toekomst" = in the future; "plannen voor de toekomst".
the future Wat zijn je plannen voor de toekomst?
What are your plans for the future?
het verleden
Het-woord: "in het verleden" = in the past.
the past In het verleden was dit een fabriek.
In the past this was a factory.
de kans
"een kans krijgen" = get a chance; "grote kans!" = quite likely!
the chance / opportunity Dit is een goede kans.
This is a good opportunity.
het plan
Het-woord: "een plan maken"; "van plan zijn" = to intend!
the plan Wat is je plan voor het weekend?
What is your plan for the weekend?
de rij
"in de rij staan" = stand in line — netjes wachten!
the row / queue Er staat een lange rij voor de kassa.
There is a long queue at the checkout.
het geluid
Het-woord: "een raar geluid" = a strange sound; "geluidsoverlast" = noise nuisance.
the sound / noise Wat is dat voor geluid?
What is that sound?
de sfeer
"een goede sfeer" = a nice atmosphere — gezelligheid meet je aan de sfeer!
the atmosphere De sfeer in het restaurant was heel prettig.
The atmosphere in the restaurant was very pleasant.
het bezoek
Het-woord: "op bezoek gaan" = pay a visit; "bezoek krijgen" = have visitors — mét koffie en één koekje!
the visit Bedankt voor je bezoek.
Thank you for your visit.
de buurt
"in de buurt" = nearby; "een leuke buurt" = a nice neighborhood.
Synonyms: de wijk
the neighborhood Ik woon in een leuke buurt.
I live in a nice neighborhood.
de leeftijd
"Wat is je leeftijd?" — of gewoon: "Hoe oud ben je?"
the age Wat is je leeftijd?
What is your age?
het geduld
Het-woord: "geduld hebben" = to be patient; "Even geduld a.u.b.!" = one moment please!
the patience Je moet meer geduld hebben.
You must have more patience.
het zelfvertrouwen
Het-woord: zelf + vertrouwen: "meer zelfvertrouwen krijgen" = gain confidence.
the self-confidence Zij heeft veel zelfvertrouwen.
She has a lot of self-confidence.
de humor
"gevoel voor humor" = sense of humor — droge humor is de Nederlandse specialiteit!
the humor Hij heeft een goed gevoel voor humor.
He has a good sense of humor.
het respect
Het-woord: "respect hebben voor" = have respect for; "Respect!" = kudos!
the respect Je moet respect hebben voor anderen.
You must have respect for others.
de moeite
"de moeite waard" = worth it! "Geen moeite!" = no trouble at all!
the effort / trouble Het is de moeite waard.
It is worth the effort.
kiezen
Verleden: koos, gekozen. "Kies maar!" = you choose! "kiezen tussen" = choose between.
to choose Je moet nu kiezen.
You have to choose now.
beslissen
"Jij mag beslissen!" = you get to decide! De beslissing = the decision.
to decide We moeten snel beslissen.
We have to decide quickly.
twijfelen
"Ik twijfel nog." = I'm still not sure; "twijfelen aan" = doubt something. De twijfel = the doubt.
to doubt / to hesitate Ik twijfel over mijn keuze.
I am doubting my choice.
lachen
Verleden: lachte, gelachen. "Lachen!" = fun! "lachen om" = laugh at.
to laugh We hebben veel gelachen.
We laughed a lot.
huilen
"huilen van geluk" = cry with joy; "moet je niet om huilen" = nothing to cry about.
to cry De baby huilt.
The baby is crying.
schreeuwen
"Niet schreeuwen!" = don't shout! Verleden: schreeuwde.
Synonyms: roepen
to shout / to scream Je hoeft niet te schreeuwen.
You don't need to shout.
fluisteren
"iets in je oor fluisteren" = whisper in your ear. Tegenovergestelde: schreeuwen.
to whisper Zij fluisterde iets in mijn oor.
She whispered something in my ear.
roepen
Verleden: riep, geroepen. "om hulp roepen" = call for help; "Ik kom eraan!" roep je terug!
to call out / to shout De moeder roept haar kinderen.
The mother calls her children.
zwak
"een zwak moment" = a weak moment. Tegenovergestelde: sterk.
weak Na de ziekte voelde ik mij zwak.
After the illness I felt weak.
sterk
"sterke koffie" = strong coffee; "Sterkte!" = hang in there — bij moeilijke tijden!
strong Hij is heel sterk.
He is very strong.
dik
"een dik boek" = a thick book; "dikke vrienden" = best friends!
fat / thick Het boek is heel dik.
The book is very thick.
dun
"dun ijs" = thin ice — pas op met schaatsen! "een dun boekje".
thin De muren zijn heel dun.
The walls are very thin.
knap
"een knappe man" = handsome; ook: "Knap gedaan!" = well done, clever!
handsome / pretty Hij is een knappe man.
He is a handsome man.
lief
"Wat lief!" = how sweet! "een lief kind" = a sweet child; "Lieve Jan" = Dear Jan (brief)!
sweet / dear Wat lief van je!
How sweet of you!
streng
"een strenge leraar" = a strict teacher; "strenge regels" = strict rules.
strict De leraar is heel streng.
The teacher is very strict.
rustig
"Rustig aan!" = take it easy! "een rustige buurt" = a quiet neighborhood.
Synonyms: kalm, stil
calm / quiet Blijf rustig, er is niets aan de hand.
Stay calm, nothing is wrong.
zorgzaam
"een zorgzame moeder" = a caring mother. Van zorgen voor = care for.
caring Zij is een heel zorgzame moeder.
She is a very caring mother.
ijverig
"een ijverige student" = a diligent student. Let op: begint met lange IJ!
hardworking / diligent Zij is een ijverige studente.
She is a diligent student.
het bericht
Het-woord: "een berichtje sturen" = send a message — via de app natuurlijk!
the message Ik heb je bericht ontvangen.
I received your message.
de taal
"een taal leren" = learn a language; "de Nederlandse taal" — goed bezig!
the language Nederlands is een mooie taal.
Dutch is a beautiful language.
het woord
Het-woord: "een nieuw woord leren"; meervoud: woorden.
the word Ik ken dat woord niet.
I don't know that word.
de zin
Twee betekenissen: "een zin schrijven" = sentence; "zin hebben in" = feel like: "Ik heb zin in koffie!"
the sentence / the desire Kun je die zin herhalen?
Can you repeat that sentence?
de betekenis
"Wat is de betekenis van…?" = what's the meaning of…? Van betekenen.
the meaning Wat is de betekenis van dit woord?
What is the meaning of this word?
het accent
Het-woord: "een licht accent hebben" — een accent is charmant, zeggen Nederlanders!
the accent Je hebt een leuk accent.
You have a nice accent.
de uitspraak
"de uitspraak van de g" — dé Nederlandse uitdaging: de harde G!
the pronunciation De uitspraak van dat woord is moeilijk.
The pronunciation of that word is difficult.
de brief
"een brief schrijven" = write a letter; meervoud: brieven.
the letter (mail) Ik heb een brief geschreven.
I wrote a letter.
het meisje
Het-woord — alle verkleinwoorden op -je zijn het-woorden! "een klein meisje".
the girl Het meisje speelt in het park.
The girl plays in the park.
de jongen
"een jongen van tien" = a ten-year-old boy; "Hé jongens!" = hey guys (ook voor gemengde groepen)!
the boy De jongen fietst naar school.
The boy cycles to school.
het stel
Het-woord: "een leuk stel" = a nice couple.
the couple Het stel woont samen in Amsterdam.
The couple lives together in Amsterdam.
de bruiloft
"op een bruiloft dansen" = dance at a wedding.
the wedding De bruiloft was heel mooi.
The wedding was very beautiful.
het huwelijk
Het-woord: "een gelukkig huwelijk" = a happy marriage.
the marriage Zij hebben een gelukkig huwelijk.
They have a happy marriage.
de scheiding
"na de scheiding" = after the divorce; ook: de scheiding in je haar = hair parting!
the divorce / separation De scheiding was moeilijk voor iedereen.
The divorce was difficult for everyone.
de groep
"in een groep werken" = work in a group; "groep 8" = laatste klas basisschool!
the group We werken in een kleine groep.
We work in a small group.
het lid
Het-woord: "lid worden van" = become a member of. Meervoud: leden!
the member Ik ben lid van een sportclub.
I am a member of a sports club.
eens zijn
"Ik ben het met je eens!" = I agree with you — het + eens + met!
to agree Ik ben het met je eens.
I agree with you.
oneens zijn
"Ik ben het oneens met…" = I disagree with — beleefd tegenspreken!
to disagree Ik ben het oneens met dat plan.
I disagree with that plan.
mee eens
"Helemaal mee eens!" = totally agree! — dé vergaderzin.
in agreement Ben je het daarmee eens?
Do you agree with that?
het gelijk
"gelijk hebben" = to be right: "Je hebt gelijk!" = you're right!
being right Je hebt gelijk.
You are right.
het ongelijk
"ongelijk hebben" = to be wrong; "iemand ongelijk geven" = say someone's wrong.
being wrong Ik had ongelijk.
I was wrong.
de ruzie
"ruzie hebben met" = have a fight with; "ruzie maken" = to quarrel.
the argument / quarrel Zij hebben ruzie gehad.
They had an argument.
de vrede
"vrede sluiten" = make peace — Den Haag is de internationale stad van vrede en recht!
the peace Laten we vrede sluiten.
Let's make peace.
het excuus
Het-woord: "excuses aanbieden" = to apologize; "een slecht excuus" = a bad excuse.
the excuse / apology Dat is geen goed excuus.
That is not a good excuse.
het compliment
Het-woord: "een compliment geven" = give a compliment — Nederlanders zijn er zuinig mee!
the compliment Dankjewel voor het compliment.
Thank you for the compliment.
de kritiek
"kritiek krijgen op" = receive criticism — de Nederlandse feedback is direct!
the criticism Hij kan niet goed met kritiek omgaan.
He cannot handle criticism well.
het succes
Het-woord: "Succes!" = good luck! — zeg je vóór een examen of sollicitatie!
the success Veel succes met je examen!
Good luck with your exam!
het resultaat
Het-woord: "een goed resultaat" = a good result.
the result Het resultaat was beter dan verwacht.
The result was better than expected.
schamen
"zich schamen voor" = be ashamed of: "Ik schaam me!" De schaamte = the shame.
to be ashamed Ik schaam mij voor mijn gedrag.
I am ashamed of my behavior.
bewonderen
"iemand bewonderen om" = admire someone for. De bewondering = admiration.
to admire Ik bewonder haar doorzettingsvermogen.
I admire her perseverance.
missen
"Ik mis je!" = I miss you! Ook: "de trein missen" = miss the train!
to miss Ik mis mijn familie.
I miss my family.
storen
"Stoor ik?" = am I disturbing you? "Niet storen!" = do not disturb!
to disturb / to bother Sorry dat ik je stoor.
Sorry to disturb you.
spijt hebben
"spijt hebben van" = regret something: "Ik heb er spijt van." = I regret it.
to regret Ik heb er spijt van.
I regret it.
uitmaken
Scheidbaar, twee betekenissen: "Ze heeft het uitgemaakt." = she broke up; "Het maakt niet uit!" = it doesn't matter!
to break up / to matter Het maakt niet uit.
It doesn't matter.
het gedrag
Het-woord: "goed gedrag" = good behavior. Van zich gedragen = to behave.
the behavior Zijn gedrag was onacceptabel.
His behavior was unacceptable.
de uitdrukking
"een Nederlandse uitdrukking" = a Dutch expression/idiom — zoals 'helaas pindakaas'!
the expression Dat is een typisch Nederlandse uitdrukking.
That is a typical Dutch expression.
de persoonlijkheid
"een sterke persoonlijkheid" = a strong personality.
the personality Zij heeft een sterke persoonlijkheid.
She has a strong personality.
de stemming
"in een goede stemming" = in a good mood; ook: de stemming = the vote!
the mood / atmosphere De stemming op het feest was goed.
The mood at the party was good.
eerlijk gezegd
"Eerlijk gezegd vind ik het niks." = honestly, I don't like it — Nederlandse directheid!
honestly / to be honest Eerlijk gezegd vind ik het niet leuk.
Honestly, I don't like it.
aan de andere kant
"Aan de andere kant is het wel duur." — de andere kant van het verhaal.
on the other hand Aan de andere kant is het ook duur.
On the other hand, it is also expensive.
op dit moment
"Op dit moment ben ik bezig." = right now I'm busy.
Synonyms: nu, momenteel
at this moment Op dit moment heb ik geen tijd.
At this moment I have no time.
in ieder geval
"In ieder geval bedankt!" = thanks anyway! — ook: in elk geval.
in any case In ieder geval bedankt voor je hulp.
In any case, thanks for your help.
het punt
Het-woord: "Dat is een goed punt!" = that's a good point! "punt uit!" = end of discussion!
the point Dat is een goed punt.
That is a good point.
tegenwoordig
"Tegenwoordig werkt iedereen thuis." = nowadays everyone works from home.
nowadays Tegenwoordig werken veel mensen thuis.
Nowadays many people work from home.
overal
"overal fietsen" = bikes everywhere — welkom in Nederland!
everywhere Je kunt overal parkeren.
You can park everywhere.
nergens
"nergens te vinden" = nowhere to be found.
nowhere Ik kan mijn sleutel nergens vinden.
I can't find my key anywhere.
ooit
"Ben je ooit in Parijs geweest?" = have you ever been? "ooit eens" = someday!
ever / once Ben je ooit in Japan geweest?
Have you ever been to Japan?
zodra
"Zodra ik thuis ben, bel ik je." — werkwoord naar het einde!
as soon as Zodra ik thuis ben, bel ik je.
As soon as I am home, I will call you.
hoewel
"Hoewel het regent, fietsen we." = although it rains — natuurlijk fietsen we!
although Hoewel het regent, ga ik wandelen.
Although it is raining, I am going for a walk.
terwijl
"Terwijl ik kook, dek jij de tafel." = while I cook, you set the table.
while Ik lees terwijl ik op de trein wacht.
I read while I wait for the train.
tenzij
"We gaan, tenzij het regent." = unless it rains — grote kans dus!
unless Ik kom, tenzij het regent.
I will come, unless it rains.
waardoor
"Het regende, waardoor we thuisbleven." = which is why we stayed home.
because of which / which caused Het sneeuwde, waardoor de treinen niet reden.
It snowed, which caused the trains not to run.
steeds
"steeds beter" = better and better; "steeds weer" = again and again.
increasingly / all the time Het wordt steeds beter.
It is getting better and better.
nauwelijks
"Ik kon nauwelijks slapen." = I could hardly sleep.
Synonyms: amper
barely / hardly Ik heb nauwelijks geslapen.
I have barely slept.
bovendien
"Het is duur en bovendien te klein." = moreover, too small.
moreover / besides Het is lekker, en bovendien gezond.
It is tasty, and moreover healthy.
de indruk
"een goede indruk maken" = make a good impression; "onder de indruk" = impressed!
the impression Ik heb een goede indruk van hem.
I have a good impression of him.
overdrijven
Verleden: overdreef, overdreven. "Niet overdrijven!" = don't exaggerate — doe maar normaal!
to exaggerate Je overdrijft een beetje.
You are exaggerating a bit.
de discussie
"een discussie voeren" = have a discussion — Nederlanders discussiëren graag (poldermodel)!
the discussion We hadden een interessante discussie.
We had an interesting discussion.
het standpunt
Het-woord: "een standpunt innemen" = take a position.
the point of view Ik begrijp jouw standpunt.
I understand your point of view.
opvallen
Scheidbaar: "Het valt me op dat…" = I notice that…; "opvallend" = striking!
to stand out / to notice Het valt mij op dat je stil bent.
I notice that you are quiet.
beledigen
"iemand beledigen" = insult someone. De belediging = the insult.
to insult / to offend Ik wil je niet beledigen.
I don't want to offend you.
de afkorting
Nederland is dol op afkortingen: a.u.b., mvg, ff (effe = even), z.s.m.!
the abbreviation Wat betekent die afkorting?
What does that abbreviation mean?
het gespreksonderwerp
Het-woord: gesprek + s + onderwerp. Nummer 1 in Nederland: het weer!
the conversation topic Politiek is een moeilijk gesprekonderwerp.
Politics is a difficult conversation topic.
de verwachting
"hoge verwachtingen" = high expectations; "de weersverwachting" = weather forecast!
the expectation Dat was boven verwachting.
That exceeded expectations.
de afleiding
"afleiding zoeken" = seek distraction; "even afleiding" = a little diversion.
the distraction Ik heb even afleiding nodig.
I need a distraction for a moment.
de gelegenheid
"bij deze gelegenheid" = on this occasion; "de gelegenheid krijgen" = get the opportunity.
the occasion / opportunity Bij deze gelegenheid wil ik iets zeggen.
On this occasion I want to say something.
uitspreken
Scheidbaar: "Hoe spreek je dat uit?" = how do you pronounce that? — Scheveningen!
to pronounce / to express Hoe spreek je dat woord uit?
How do you pronounce that word?

This deck has 239 words in total — copy it to your library to study them all.

Grammar Guide (9)
Perfectum (voltooide tijd)
Present perfect tense with hebben or zijn
Ik heb gisteren een boek gelezen en ben naar de stad gefietst.
Formed with hebben or zijn + past participle (voltooid deelwoord) at the end of the clause. Regular (weak) verbs: ge- + stem + -d or -t. Use 't kofschip rule: if stem ends in t, k, f, s, ch, p → -t: gewerkt, gefietst. Other regular verbs get -d: geleefd, gehoord, gebeld. Verbs with be-, ver-, ge-, er-, ont- skip ge-: betaald, verteld. Irregular (strong) verbs: ge- + changed stem + -en: schrijven → geschreven, lezen → gelezen, gaan → gegaan. Use zijn (not hebben) for motion/change of state: Ik ben gegaan, zij is gekomen, we zijn verhuisd.
Imperfectum (onvoltooid verleden tijd)
Simple past tense for written and formal Dutch
Ik werkte elke dag hard en mijn broer studeerde in Amsterdam.
Regular verbs: stem + -te (singular) / -ten (plural) or -de / -den depending on 't kofschip rule. If stem ends in t, k, f, s, ch, p → -te/-ten: werkte, werkten, fietste, fietsten. Other stems → -de/-den: leefde, leefden, hoorde, hoorden, belde, belden. Irregular verbs have unique past forms to memorize: zijn → was/waren, hebben → had/hadden, gaan → ging/gingen. Imperfectum is preferred in written Dutch and storytelling; perfectum is more common in everyday speech.
Persoonlijke voornaamwoorden (object)
Object pronouns for direct and indirect objects
Ik zie hem elke dag en ik geef haar altijd het boek.
Object pronouns: mij/me, jou/je, hem, haar, het, ons, jullie, hen/hun/ze. Short (unstressed) forms are most common in speech: me, je, 'm, d'r, 't, ze. Hen is formal direct object, hun is formal indirect object: Ik zie hen. Ik geef hun het boek. In everyday Dutch, ze replaces both hen and hun: Ik zie ze. Ik geef ze het boek. Word order: object pronoun comes right after the conjugated verb: Ik bel je morgen. Hij helpt ons altijd.
Voorzetsels
Common prepositions and fixed verb-preposition combinations
Ik denk aan mijn vakantie en wacht op de bus.
Common prepositions: in (in), op (on), aan (at/on), met (with), voor (for/before), van (of/from), naar (to), bij (at/near). Also: uit (from/out of), om (around/at), tot (until), door (through/by), zonder (without), tussen (between). Fixed verb+preposition combinations: denken aan (think about), wachten op (wait for), luisteren naar (listen to). More combinations: houden van (love/like), beginnen met (start with), zoeken naar (search for), kijken naar (look at). Er + preposition replaces het/dat + preposition: Ik denk eraan. (I think about it.) Ik wacht erop. (I wait for it.)
Vergelijkingen en overtreffende trap
Comparing things with comparatives and superlatives
Dit boek is beter dan dat boek, maar het duurste boek is het beste.
Comparative: adjective + -er: groot → groter, klein → kleiner, mooi → mooier, duur → duurder. Superlative: adjective + -st(e): grootst(e), kleinst(e), mooist(e), duurst(e). Add -e before nouns: het grootste huis. Comparison words: dan (than) for comparative, net zo...als (just as...as) for equality: Hij is net zo groot als ik. Irregular: goed → beter → best, veel → meer → meest, weinig → minder → minst, graag → liever → liefst. Examples: Amsterdam is groter dan Utrecht. Dit is het lekkerste eten. Zij zingt beter dan ik.
Modale werkwoorden
Modal verbs: can, must, want, may, shall
Ik kan goed zwemmen, maar ik moet eerst mijn huiswerk maken.
kunnen (can): ik kan, jij kunt/kan, hij kan, wij kunnen. Past: kon/konden. Ik kan goed koken. moeten (must): ik moet, jij moet, hij moet, wij moeten. Past: moest/moesten. Je moet op tijd komen. willen (want): ik wil, jij wilt/wil, hij wil, wij willen. Past: wilde/wilden. Wil je koffie? mogen (may): ik mag, jij mag, hij mag, wij mogen. Past: mocht/mochten. Mag ik hier zitten? zullen (shall/will): ik zal, jij zult/zal, hij zal, wij zullen. Past: zou/zouden. Zal ik je helpen?
Imperatives & Commands
Forming commands for jij, u, and group suggestions with laten we
Kom hier! Komt u binnen! Laten we beginnen!
Jij-form: use the verb stem only (no -t): Kom! Lees! Schrijf! Wacht! Geef me dat boek! U-form: same as present tense u-form (with -t): Komt u! Leest u! Gaat u zitten! Let's = Laten we + infinitive: Laten we gaan! Laten we samen eten! Laten we het proberen! Separable verbs: prefix goes to the end: Doe de deur open! Bel me op! Kom morgen terug! Examples: Luister goed! Wees voorzichtig! (zijn → wees). Ga weg! Stop daarmee!
Possessive Pronouns
Standalone possessive pronouns (de/het mijne, die van mij) used without a following noun
Is dit jouw boek? — Ja, dat is het mijne.
Formal forms: de/het mijne, de/het jouwe, de/het zijne, de/het hare, de/het onze, de/het hunne. Use de for de-words, het for het-words: De fiets is de mijne. Het boek is het mijne. Informal alternative: die/dat van mij/jou/hem/haar/ons/jullie/hen: Dat is die van mij. After zijn: Dit boek is van mij. Die auto is van hem. Deze schoenen zijn van haar. Examples: Welke is de jouwe? Die rode is de mijne. Dat huis is het onze.
Adverbs
Forming and positioning adverbs of frequency, time, and manner in Dutch
Hij fietst altijd snel naar zijn werk, maar vandaag loopt hij langzaam.
No special adverb form: adjective = adverb in Dutch. snel (fast/quickly), langzaam (slow/slowly). Frequency: altijd (always), vaak (often), soms (sometimes), zelden (rarely), nooit (never). Temporal: vandaag (today), morgen (tomorrow), gisteren (yesterday), straks (soon/later), nu (now). Adverbs sit in the middle field (after verb, before other elements): Ik ga morgen naar de stad. In position 1 they cause inversion: Soms eet ik buiten. Gisteren was het koud.

More Dutch Decks

Dutch A2 — Travel

A2 203 words

Dutch A2 — Routines

A2 215 words

Dutch B1 — Society & Opinions

B1 204 words

Dutch A1 — Essentials

A1 260 words

Dutch A1 — Daily Life

A1 242 words

Dutch B1 — Work & Education

B1 206 words

DocumentationPublic DecksAnki AlternativeContactPrivacyTerms