← Back to Public Decks · Dutch Decks · Dutch vocabulary test

Dutch B1 — Work & Education Official

Dutch words for work and education (CEFR B1). Career, job interviews, office, university, presentations, and professional skills.

CEFR B1 — Intermediate
At this level you can discuss opinions, travel independently, describe experiences. Vocabulary: ~2,500 words (cumulative).
Phrases you'll learn
How do you say “the career” in Dutch?
“the career” is “de carrière” in Dutch. For example: Ze heeft een succesvolle carrière in de marketing. — She has a successful career in marketing.
How do you say “the job interview” in Dutch?
“the job interview” is “het sollicitatiegesprek” in Dutch. For example: Ik heb morgen een sollicitatiegesprek bij een groot bedrijf. — I have a job interview at a large company tomorrow.
How do you say “the CV / resume” in Dutch?
“the CV / resume” is “het cv” in Dutch. For example: Stuur je cv en motivatiebrief naar de afdeling personeelszaken. — Send your CV and cover letter to the HR department.
How do you say “the cover letter” in Dutch?
“the cover letter” is “de motivatiebrief” in Dutch. For example: In je motivatiebrief leg je uit waarom je geschikt bent. — In your cover letter you explain why you are suitable.
Dutch → English 206 words ~21 days at 10 words/day 0 downloads B1
No ratings No ratings by admin@wordsonrepeat.com Jun 10, 2026
Try studying — no account needed

A real study session, right now. No signup.

Report issue with this deck

Word Preview — click grammar notes to expand

WordTranslationExample
de carrière
"carrière maken" = climb the ladder — al kiezen veel Nederlanders bewust voor parttime!
the career Ze heeft een succesvolle carrière in de marketing.
She has a successful career in marketing.
het sollicitatiegesprek
Het-woord: "een sollicitatiegesprek hebben" — wees op tijd en wees direct!
the job interview Ik heb morgen een sollicitatiegesprek bij een groot bedrijf.
I have a job interview at a large company tomorrow.
het cv
Het-woord: "je cv opsturen" = send your CV — kort en zakelijk in Nederland!
the CV / resume Stuur je cv en motivatiebrief naar de afdeling personeelszaken.
Send your CV and cover letter to the HR department.
de motivatiebrief
"een motivatiebrief schrijven" — waarom jij, waarom dit bedrijf!
the cover letter In je motivatiebrief leg je uit waarom je geschikt bent.
In your cover letter you explain why you are suitable.
de promotie
"promotie maken" = get promoted; aan de universiteit: promoveren = PhD halen!
the promotion Na drie jaar kreeg ze eindelijk een promotie.
After three years she finally got a promotion.
de vaardigheid
"communicatieve vaardigheden" = communication skills — op elk cv!
the skill Communicatieve vaardigheden zijn belangrijk voor deze functie.
Communication skills are important for this position.
de functie
"een leidinggevende functie" = a management position; "de functie van…".
the position / function Hij heeft een nieuwe functie als projectleider.
He has a new position as project leader.
de opleiding
"een opleiding volgen" = pursue an education; "mbo, hbo, wo" — de Nederlandse niveaus!
the education / training Welke opleiding heb je gevolgd?
What education have you completed?
de universiteit
"aan de universiteit studeren" — wetenschappelijk onderwijs (wo).
the university Ze studeert rechten aan de universiteit van Amsterdam.
She studies law at the University of Amsterdam.
de hogeschool
Het hbo — praktischer dan de universiteit; typisch Nederlands onderscheid!
the university of applied sciences Op de hogeschool leer je een beroep in de praktijk.
At the university of applied sciences you learn a profession in practice.
het diploma
Het-woord: "je diploma halen" = get your degree — met de vlag uit!
the diploma / degree Zonder diploma is het moeilijk om werk te vinden.
Without a diploma it is difficult to find work.
het certificaat
Het-woord: "een certificaat behalen" = obtain a certificate.
the certificate Na de cursus ontvang je een certificaat.
After the course you receive a certificate.
de presentatie
"een presentatie geven" = give a presentation — met de beamer aan!
the presentation Ik moet volgende week een presentatie geven.
I have to give a presentation next week.
de afdeling
"de afdeling verkoop" = the sales department; "op welke afdeling werk je?"
the department Ik werk op de afdeling financiën.
I work in the finance department.
het ontslag
Het-woord: "ontslag krijgen" = get fired; "ontslag nemen" = quit!
the dismissal / firing Hij kreeg ontslag vanwege de reorganisatie.
He was fired because of the reorganization.
ontslaan
Verleden: ontsloeg, ontslagen. "Hij is ontslagen." = he was fired.
to fire / to dismiss Het bedrijf heeft twintig werknemers ontslagen.
The company fired twenty employees.
het loon
Het-woord: "het minimumloon" = minimum wage; "loon naar werken"!
Synonyms: het salaris
the wage / pay Het minimumloon is dit jaar gestegen.
The minimum wage has risen this year.
het pensioen
Het-woord: "met pensioen gaan" = retire — het Nederlandse pensioenstelsel is wereldberoemd!
the pension / retirement Mijn vader gaat volgend jaar met pensioen.
My father is retiring next year.
de stage
"stage lopen" = do an internship — uitspraak op z'n Frans: [staazje]!
the internship Ik doe een stage bij een advocatenkantoor.
I am doing an internship at a law firm.
de arbeidsvoorwaarden
Meervoud: "goede arbeidsvoorwaarden" — salaris, vakantiedagen, pensioen, leaseauto!
the working conditions / terms of employment De arbeidsvoorwaarden staan in het contract.
The terms of employment are in the contract.
het overleg
Het-woord: "in overleg met" = in consultation with — het poldermodel in één woord: overleggen tot iedereen het eens is!
the consultation / meeting We hebben wekelijks overleg met het team.
We have a weekly consultation with the team.
de agenda
"in mijn agenda kijken" — heilig in Nederland! "op de agenda staan" = on the agenda.
the agenda / diary Ik zet de afspraak in mijn agenda.
I put the appointment in my diary.
de samenwerking
"een goede samenwerking" = a good collaboration. Samen + werken!
the collaboration / cooperation De samenwerking tussen de twee afdelingen verloopt goed.
The collaboration between the two departments is going well.
samenwerken
"goed kunnen samenwerken" — dé soft skill op elke vacature!
to collaborate / to work together We moeten beter samenwerken om de deadline te halen.
We need to collaborate better to meet the deadline.
de verantwoordelijkheid
"verantwoordelijkheid nemen" = take responsibility — lang woord, groot begrip!
the responsibility In deze functie heb je veel verantwoordelijkheid.
In this position you have a lot of responsibility.
verantwoordelijk
"verantwoordelijk voor" = responsible for.
responsible Wie is verantwoordelijk voor dit project?
Who is responsible for this project?
ervaren
"een ervaren collega" = an experienced colleague; ook werkwoord: ervaren = to experience!
experienced We zoeken een ervaren programmeur.
We are looking for an experienced programmer.
de vacature
"op een vacature reageren" = respond to a job opening — via LinkedIn of Indeed!
the job vacancy Er staan veel vacatures op de website.
There are many job vacancies on the website.
het verlof
Het-woord: "ouderschapsverlof" = parental leave; "verlof opnemen" = take leave.
the leave / time off Ik heb verlof aangevraagd voor volgende week.
I requested leave for next week.
de werkplek
"een flexibele werkplek" = a flex desk — het kantoortuinleven!
the workplace Een schone werkplek is belangrijk voor de concentratie.
A clean workplace is important for concentration.
thuiswerken
"twee dagen thuiswerken" — sinds corona de Nederlandse norm: hybride!
to work from home Sinds de pandemie werk ik twee dagen per week thuis.
Since the pandemic I work from home two days a week.
het verslag
Het-woord: "een verslag schrijven" = write a report; "verslag uitbrengen" = to report.
the report Ik moet het verslag voor vrijdag afmaken.
I have to finish the report by Friday.
de opdracht
"een opdracht uitvoeren" = carry out an assignment; "in opdracht van" = commissioned by.
the assignment / task De leraar geeft de studenten een nieuwe opdracht.
The teacher gives the students a new assignment.
het onderzoek
Het-woord: "onderzoek doen naar" = do research on; "uit onderzoek blijkt…" = research shows…
the research Ze doet onderzoek naar klimaatverandering.
She does research on climate change.
onderzoeken
Verleden: onderzocht. "een probleem onderzoeken" = investigate a problem.
to research / to investigate De wetenschappers onderzoeken nieuwe behandelmethoden.
The scientists are researching new treatment methods.
de scriptie
"je scriptie schrijven" = write your thesis — de eindsprint van de studie!
the thesis Ik schrijf mijn scriptie over kunstmatige intelligentie.
I am writing my thesis on artificial intelligence.
het tentamen
Het-woord: "een tentamen halen" = pass an exam — de tentamenweek is stressweek!
the exam (university) Het tentamen bestaat uit open vragen.
The exam consists of open questions.
slagen
"slagen voor je examen" = pass your exam — "Geslaagd!" en de vlag gaat uit!
to pass (an exam) Ik ben geslaagd voor mijn rijexamen!
I passed my driving exam!
zakken
"zakken voor je rijexamen" = fail your driving test — volgende keer beter!
to fail (an exam) Helaas ben ik gezakt voor het tentamen.
Unfortunately I failed the exam.
het cijfer
Het-woord: cijfers van 1-10; een 6 = voldoende — de beroemde Nederlandse zesjescultuur!
the grade / mark Ik heb een acht als cijfer voor wiskunde.
I got an eight as a grade for mathematics.
de beoordeling
"een goede beoordeling krijgen" = get a good review.
the assessment / evaluation De beoordeling van je werk is positief.
The assessment of your work is positive.
beoordelen
"werk beoordelen" = assess work; "beoordeel zelf!" = judge for yourself!
to assess / to evaluate De manager beoordeelt de prestaties van het team.
The manager evaluates the team's performance.
de studie
"een studie kiezen" = choose a degree program; "naast je studie werken".
the study / studies Welke studie volg je aan de universiteit?
What study are you following at the university?
het studiejaar
Het-woord: "het eerste studiejaar" — start in september!
the academic year Het studiejaar begint in september.
The academic year starts in September.
de docent
"de docent Nederlands" — op hbo en universiteit; op school: de leraar!
the lecturer / instructor De docent legt de stof duidelijk uit.
The lecturer explains the material clearly.
het college
Het-woord: "college volgen" = attend lectures; "het hoorcollege" = de grote zaal!
the lecture Het college over filosofie is heel interessant.
The lecture on philosophy is very interesting.
het semester
Het-woord: "het eerste semester" — twee per studiejaar.
the semester Het tweede semester begint in februari.
The second semester starts in February.
de toets
"een toets maken" = take a test; ook: de toets op je toetsenbord = key!
the test Volgende week hebben we een toets over hoofdstuk drie.
Next week we have a test on chapter three.
het rooster
Het-woord: "het lesrooster" = the class schedule; "volgens rooster".
the schedule / timetable Het rooster voor het nieuwe semester is gepubliceerd.
The schedule for the new semester has been published.
de workshop
"een workshop volgen" = attend a workshop.
the workshop We volgen een workshop over leiderschap.
We are attending a workshop on leadership.
de training
"een training volgen" — op het werk of bij de sportclub!
the training (course) Het bedrijf biedt een training aan voor nieuwe medewerkers.
The company offers training for new employees.
de medewerker
"de medewerkers van het bedrijf" — mede + werker: letterlijk co-worker!
the employee / staff member Alle medewerkers krijgen een kerstbonus.
All staff members receive a Christmas bonus.
de directeur
"de directeur van de school" = the principal; van het bedrijf = the director!
the director De directeur maakt de belangrijke beslissingen.
The director makes the important decisions.
het management
Het-woord: "het hogere management" — Engels leenwoord, overal in het bedrijfsleven.
the management Het management heeft besloten om te reorganiseren.
Management has decided to reorganize.
de ondernemer
"een succesvolle ondernemer" — van marktkraam tot multinational!
the entrepreneur Ze is een succesvolle ondernemer met drie bedrijven.
She is a successful entrepreneur with three companies.
de zzp'er
Zelfstandige Zonder Personeel — dé Nederlandse freelancer; ruim een miljoen zzp'ers!
the freelancer / self-employed person Als zzp'er moet je zelf je belasting regelen.
As a freelancer you have to arrange your own taxes.
de belasting
"belasting betalen" — de Belastingdienst: "Leuker kunnen we het niet maken, wel makkelijker!"
the tax Iedereen moet belasting betalen over zijn inkomen.
Everyone has to pay tax on their income.
het inkomen
Het-woord: "een vast inkomen" = a steady income; "inkomstenbelasting" = income tax.
the income Het gemiddelde inkomen in Nederland is vrij hoog.
The average income in the Netherlands is quite high.
de winst
"winst maken" = make a profit. Tegenovergestelde: het verlies.
the profit Het bedrijf maakte vorig jaar veel winst.
The company made a lot of profit last year.
het verlies
Het-woord: "verlies draaien" = run at a loss; ook bij sport: "een zwaar verlies"!
the loss Het bedrijf leed een groot verlies in het eerste kwartaal.
The company suffered a big loss in the first quarter.
het budget
Het-woord: "binnen het budget blijven" = stay within budget.
the budget We moeten binnen het budget blijven.
We have to stay within the budget.
investeren
"investeren in" = invest in: "in jezelf investeren"!
to invest Het bedrijf investeert in nieuwe technologie.
The company invests in new technology.
de efficiëntie
"de efficiëntie verhogen" = increase efficiency — met trema: ë!
the efficiency We moeten de efficiëntie op kantoor verbeteren.
We need to improve efficiency at the office.
efficiënt
"efficiënt werken" = work efficiently — de Nederlandse vergadercultuur droomt ervan!
efficient Deze werkwijze is veel efficiënter.
This method of working is much more efficient.
de strategie
"een nieuwe strategie" = a new strategy; "de strategie bepalen".
the strategy Het bedrijf heeft een nieuwe marketingstrategie.
The company has a new marketing strategy.
analyseren
"data analyseren" = analyze data.
to analyze We moeten de verkoopgegevens zorgvuldig analyseren.
We need to carefully analyze the sales data.
de analyse
"een grondige analyse" = a thorough analysis.
the analysis De analyse van de resultaten is bijna klaar.
The analysis of the results is almost finished.
productief
"een productieve dag" = a productive day — veel gedaan!
productive Ik ben het meest productief in de ochtend.
I am most productive in the morning.
de planning
"de planning halen" = stay on schedule; "een strakke planning" — heilig in Nederland!
the planning / schedule De planning voor het project is strak.
The schedule for the project is tight.
organiseren
"een evenement organiseren" = organize an event.
to organize Wie organiseert het bedrijfsuitje?
Who is organizing the company outing?
coördineren
"het project coördineren" — met trema: coördineren!
to coordinate Zij coördineert de activiteiten van het team.
She coordinates the team's activities.
delegeren
"taken delegeren" = delegate tasks — een goede baas kan het!
to delegate Een goede manager weet wanneer hij moet delegeren.
A good manager knows when to delegate.
motiveren
"het team motiveren" = motivate the team; "je keuze motiveren" = justify your choice!
to motivate De coach weet hoe hij zijn team moet motiveren.
The coach knows how to motivate his team.
de motivatie
"de motivatie verliezen" = lose motivation; "wat is je motivatie?" — sollicitatievraag!
the motivation Mijn motivatie om te leren is heel groot.
My motivation to learn is very great.
de prestatie
"een topprestatie" = a top performance; "onder druk presteren".
the performance / achievement Zijn prestaties op school zijn uitstekend.
His performance at school is excellent.
presteren
"goed presteren" = perform well — de prestatiemaatschappij!
to perform Ze presteert goed onder druk.
She performs well under pressure.
de burn-out
"een burn-out krijgen" — serieus genomen in Nederland: rust en herstel eerst!
the burnout Steeds meer mensen krijgen een burn-out door werkstress.
More and more people get burnout from work stress.
de werkdruk
Werk + druk: "hoge werkdruk" = high work pressure.
the workload / work pressure De werkdruk is de laatste maanden erg hoog.
The workload has been very high in recent months.
de balans
"de balans tussen werk en privé" = work-life balance — Nederland scoort er wereldtop in!
the balance Het is belangrijk om een goede balans te vinden tussen werk en privé.
It is important to find a good balance between work and private life.
flexibel
"flexibele werktijden" = flexible hours; "flexibel zijn".
flexible Onze werktijden zijn heel flexibel.
Our working hours are very flexible.
de werktijd
"vaste werktijden" = fixed hours — van negen tot vijf, en dan náár huis!
the working hours Mijn werktijden zijn van negen tot vijf.
My working hours are from nine to five.
het overwerk
Het-woord: "overwerk wordt uitbetaald" — of je krijgt tijd-voor-tijd!
the overtime Overwerk wordt extra betaald.
Overtime is paid extra.
de ontwikkeling
"persoonlijke ontwikkeling" = personal development; "de ontwikkelingen volgen".
the development Persoonlijke ontwikkeling is belangrijk in je carrière.
Personal development is important in your career.
ontwikkelen
"nieuwe producten ontwikkelen" = develop new products; "zich ontwikkelen" = grow!
to develop Het team ontwikkelt nieuwe software.
The team is developing new software.
de bijscholing
"bijscholing volgen" = take further training — een leven lang leren!
the further training / continuing education Het bedrijf betaalt voor bijscholing van werknemers.
The company pays for further training of employees.
de vaste baan
"een vast contract" = de heilige graal van de arbeidsmarkt!
the permanent job Na twee jaar kreeg hij een vaste baan.
After two years he got a permanent job.
het tijdelijk contract
Het-woord: "eerst een tijdelijk contract" — daarna hopelijk vast!
the temporary contract Ik heb een tijdelijk contract voor zes maanden.
I have a temporary contract for six months.
de proeftijd
"één maand proeftijd" — proef + tijd: beide kanten mogen nog stoppen.
the probation period De proeftijd duurt twee maanden.
The probation period lasts two months.
het functioneringsgesprek
Het-woord: het jaarlijkse gesprek met je leidinggevende — over doelen en ontwikkeling.
the performance review Mijn functioneringsgesprek is volgende maand.
My performance review is next month.
de feedback
"feedback geven en ontvangen" — de Nederlandse feedback is befaamd direct!
the feedback Ik waardeer je eerlijke feedback.
I appreciate your honest feedback.
de competentie
"competenties ontwikkelen" = develop competencies — hr-taal voor vaardigheden!
the competence / competency Welke competenties zijn nodig voor deze functie?
Which competencies are needed for this position?
competent
"een competente collega" = a competent colleague.
Synonyms: bekwaam
competent Ze is een zeer competente medewerker.
She is a very competent employee.
de sector
"de zorgsector", "de publieke sector" = public sector.
Synonyms: de branche
the sector / industry De zorgsector heeft veel personeel nodig.
The healthcare sector needs a lot of staff.
de economie
"de Nederlandse economie" — handelsland sinds de Gouden Eeuw!
the economy De economie groeit langzaam dit jaar.
The economy is growing slowly this year.
de werkloosheid
"de werkloosheid daalt" = unemployment is falling.
the unemployment De werkloosheid onder jongeren is een probleem.
Unemployment among young people is a problem.
werkloos
"werkloos raken" = become unemployed — dan is er de WW-uitkering.
unemployed Hij is al drie maanden werkloos.
He has been unemployed for three months.
de uitkering
"een uitkering krijgen" — WW, bijstand: het Nederlandse vangnet.
the benefit / allowance Hij ontvangt een werkloosheidsuitkering.
He receives an unemployment benefit.
het bijbaantje
Het-woord: "een bijbaantje in de supermarkt" — elke Nederlandse scholier vakkenvullen!
the side job / part-time job Veel studenten hebben een bijbaantje.
Many students have a side job.
de sollicitatie
"een sollicitatie versturen" = send an application. Van solliciteren.
the job application Ik heb al tien sollicitaties verstuurd.
I have already sent ten job applications.
aannemen
Scheidbaar: "Ze hebben me aangenomen!" = they hired me! Ook: "de telefoon aannemen"!
to hire / to accept Het bedrijf heeft besloten mij aan te nemen.
The company has decided to hire me.
de kandidaat
"de beste kandidaat" = the best candidate — voor de baan of de verkiezing!
the candidate Er zijn veel kandidaten voor deze functie.
There are many candidates for this position.
de referentie
"referenties opgeven" = provide references — je oude baas mag bellen!
the reference Kun je twee referenties opgeven?
Can you provide two references?
de kwalificatie
"de juiste kwalificaties" = the right qualifications.
the qualification Welke kwalificaties heb je voor deze baan?
What qualifications do you have for this job?
gekwalificeerd
"gekwalificeerd personeel" = qualified staff.
Synonyms: bekwaam
qualified Ze is goed gekwalificeerd voor de functie.
She is well qualified for the position.
de leider
"een geboren leider" = a born leader; in het bedrijf: de leidinggevende!
the leader Een goede leider luistert naar zijn team.
A good leader listens to his team.
het leiderschap
Het-woord: "leiderschap tonen" = show leadership.
the leadership Leiderschap kun je leren door ervaring.
Leadership can be learned through experience.
het netwerken
Het-woord: "het netwerken op een borrel" — visitekaartjes en oppervlakkige praatjes!
the networking Netwerken is belangrijk voor je carrière.
Networking is important for your career.
het bedrijfsleven
Het-woord: "in het bedrijfsleven werken" = work in the corporate world.
the business world In het bedrijfsleven is flexibiliteit essentieel.
In the business world flexibility is essential.
de onderhandeling
"in onderhandeling zijn" = to be in negotiation.
the negotiation De onderhandelingen over het salaris duurden lang.
The salary negotiations took a long time.
onderhandelen
"over het salaris onderhandelen" = negotiate salary — Nederlanders doen het graag zakelijk!
to negotiate Je mag altijd onderhandelen over je salaris.
You may always negotiate your salary.
het beroep
Het-woord: "Wat is je beroep?" = what's your profession? "een vrij beroep".
the profession / occupation Welk beroep wil je later uitoefenen?
Which profession do you want to pursue later?
professioneel
"professioneel blijven" = stay professional; "een professionele e-mail".
professional Haar presentatie was heel professioneel.
Her presentation was very professional.
de collega's
"gezellige collega's" — de vrijmibo met collega's is heilig!
the colleagues Ik ga vanavond uit eten met collega's.
I am going out for dinner with colleagues tonight.
het teamwork
Het-woord: "teamwork makes the dream work" — ook in het Nederlands geleend!
the teamwork Goed teamwork is essentieel voor het slagen van dit project.
Good teamwork is essential for the success of this project.
de communicatie
"open communicatie" = open communication — direct en eerlijk, op z'n Nederlands!
the communication Goede communicatie voorkomt misverstanden.
Good communication prevents misunderstandings.
communiceren
"duidelijk communiceren" = communicate clearly.
to communicate Het is belangrijk om duidelijk te communiceren.
It is important to communicate clearly.
de deelnemer
"de deelnemers aan de cursus" = the course participants. Van deelnemen!
the participant Alle deelnemers moeten zich van tevoren aanmelden.
All participants must register in advance.
de cursist
"de cursisten van de taalcursus" — jij dus, als je Nederlands leert!
the course participant Er zijn twintig cursisten in de groep.
There are twenty course participants in the group.
de studierichting
"een studierichting kiezen" = choose a major — studie + richting!
the field of study Welke studierichting heb je gekozen?
Which field of study have you chosen?
afstuderen
Scheidbaar: "Ik studeer volgend jaar af." = I graduate next year — studeren…af!
to graduate Ik studeer volgend jaar af.
I will graduate next year.
de master
"een master doen" = do a master's — na de bachelor, meestal één jaar in Nederland!
the master's degree Na mijn bachelor wil ik een master doen.
After my bachelor's I want to do a master's.
de bachelor
"de bachelor halen" — drie jaar universiteit of vier jaar hbo!
the bachelor's degree Ik heb een bachelor in psychologie.
I have a bachelor's in psychology.
het vak
Het-woord: "mijn favoriete vak" = my favorite subject; ook: "een vak leren" = learn a trade!
the subject / course Wiskunde is mijn favoriete vak.
Mathematics is my favorite subject.
de wiskunde
"goed in wiskunde" = good at math — wis + kunde: zekere kennis!
the mathematics Wiskunde is een verplicht vak op school.
Mathematics is a compulsory subject at school.
de wetenschap
"de moderne wetenschap" = modern science; weten + schap!
the science De wetenschap heeft veel vooruitgang geboekt.
Science has made a lot of progress.
wetenschappelijk
"wetenschappelijk onderzoek" = scientific research; "wetenschappelijk onderwijs" = de universiteit!
scientific Het artikel is gepubliceerd in een wetenschappelijk tijdschrift.
The article was published in a scientific journal.
de kennis
"kennis opdoen" = gain knowledge; "Kennis is macht!" Ook: een kennis = an acquaintance!
the knowledge Kennis van het Nederlands is vereist voor deze baan.
Knowledge of Dutch is required for this job.
de schoolvakantie
"de zomervakantie" — zes weken; de regio's spreiden om files te voorkomen!
the school vacation De schoolvakantie duurt zes weken in de zomer.
The school vacation lasts six weeks in the summer.
het klaslokaal
Het-woord: klas + lokaal: "in het klaslokaal" = in the classroom.
the classroom Het klaslokaal is uitgerust met een smartboard.
The classroom is equipped with a smartboard.
de leerling
"leerlingen op de basisschool" — op school: leerling; op de uni: student!
the pupil / student (school) Er zitten dertig leerlingen in de klas.
There are thirty pupils in the class.
het onderwijs
Het-woord: "goed onderwijs" = good education; "het onderwijssysteem".
the education (system) Het Nederlandse onderwijs is van hoog niveau.
Dutch education is of a high level.
de stageplaats
"een stageplaats zoeken" = look for an internship — stage + plaats!
the internship position Het is moeilijk om een goede stageplaats te vinden.
It is difficult to find a good internship position.
de werkervaring
"relevante werkervaring" = relevant work experience — werk + ervaring!
the work experience Werkervaring is vaak belangrijker dan een diploma.
Work experience is often more important than a diploma.
het inwerken
Het-woord: "het inwerken duurt twee weken" — nieuwe collega's worden ingewerkt!
the onboarding / training period Het inwerken duurt ongeveer twee weken.
The onboarding takes about two weeks.
de innovatie
"innovatie stimuleren" — Nederland: klein land, grote innovaties (van dijken tot chips)!
the innovation Innovatie is de sleutel tot succes in deze sector.
Innovation is the key to success in this sector.
innovatief
"een innovatief bedrijf" = an innovative company.
innovative Het bedrijf staat bekend om zijn innovatieve aanpak.
The company is known for its innovative approach.
de aanpak
"een praktische aanpak" = a practical approach — typisch Nederlands: gewoon dóén!
the approach We moeten een andere aanpak kiezen.
We need to choose a different approach.
implementeren
"een nieuw systeem implementeren" = implement a new system.
Synonyms: invoeren
to implement Het plan wordt volgende maand geïmplementeerd.
The plan will be implemented next month.
verbeteren
"processen verbeteren" = improve processes; "je Nederlands verbeteren" — bezig!
to improve We moeten de klantenservice verbeteren.
We need to improve customer service.
de verbetering
"een grote verbetering" = a big improvement; "ruimte voor verbetering"!
the improvement Er is veel verbetering mogelijk in dit proces.
There is much room for improvement in this process.
de arbeidsmarkt
"krapte op de arbeidsmarkt" = labor shortage — arbeid + markt.
the labor market De arbeidsmarkt is op dit moment heel krap.
The labor market is very tight at this moment.
de doelstelling
"doelstellingen behalen" = achieve targets — doel + stelling.
Synonyms: het doel
the objective / target We hebben onze doelstellingen voor dit jaar behaald.
We have achieved our objectives for this year.
behalen
"je diploma behalen" = obtain your degree; "resultaten behalen".
Synonyms: halen
to achieve / to obtain Ze heeft haar diploma cum laude behaald.
She obtained her diploma cum laude.
de studiepunten
Meervoud: "60 studiepunten per jaar" — de EC's (ECTS) van het studiejaar!
the study credits Je hebt zestig studiepunten nodig per jaar.
You need sixty study credits per year.
de basisschool
"naar de basisschool" — groep 1 t/m 8, van 4 tot 12 jaar!
the primary school Kinderen gaan naar de basisschool vanaf vier jaar.
Children go to primary school from age four.
de middelbare school
Na groep 8: vmbo, havo of vwo — het advies bepaalt de route!
the secondary school Op de middelbare school kies je je vakken.
At secondary school you choose your subjects.
het schooladvies
Het-woord: het advies in groep 8 — vmbo, havo of vwo? Groot moment voor elk kind!
the school recommendation Het schooladvies bepaalt naar welk niveau je gaat.
The school recommendation determines which level you go to.
het niveau
Het-woord: "op hoog niveau" = at a high level; "taalniveau B1" — waar jij nu zit!
the level Je taalniveau is al behoorlijk goed.
Your language level is already quite good.
het rapport
Het-woord: "een mooi rapport" = a good report card; op werk: het rapport = the report!
the report card Mijn zoon kwam blij thuis met zijn rapport.
My son came home happy with his report card.
de begeleider
"de scriptiebegeleider" = thesis supervisor. Van begeleiden.
the supervisor / mentor Mijn begeleider helpt mij bij mijn scriptie.
My supervisor helps me with my thesis.
begeleiden
"studenten begeleiden" = supervise students; "iemand begeleiden naar" = accompany!
to supervise / to guide De docent begeleidt de studenten tijdens hun stage.
The instructor guides the students during their internship.
de samenvatting
"een samenvatting maken" = make a summary — samen + vatten!
the summary Ik maak altijd een samenvatting van elk hoofdstuk.
I always make a summary of each chapter.
samenvatten
Scheidbaar: "Ik vat het even samen." = let me summarize — vatten…samen!
to summarize Kun je het hoofdpunt samenvatten?
Can you summarize the main point?
promoveren
"promoveren aan de universiteit" = earn a PhD; bij voetbal: naar de eredivisie promoveren!
to get promoted / to earn a PhD Na vijf jaar onderzoek is zij gepromoveerd.
After five years of research she earned her PhD.
specialiseren
"zich specialiseren in" = specialize in: "Ik specialiseer me in marketing."
to specialize Hij specialiseert zich in arbeidsrecht.
He specializes in labor law.
lesgeven
Scheidbaar: "Zij geeft les op een basisschool." — geven…les!
to teach Zij geeft les aan de basisschool.
She teaches at the primary school.
evalueren
"het project evalueren" = evaluate the project — de evaluatie hoort erbij!
Synonyms: beoordelen
to evaluate De docent evalueert het werk van de studenten.
The instructor evaluates the students' work.
functioneren
"goed functioneren" = function well — vandaar het functioneringsgesprek!
to function / to perform Hij functioneert goed onder druk.
He performs well under pressure.
inschrijven
Scheidbaar: "zich inschrijven voor" = register for: "Ik schrijf me in."
to enroll / to register Je moet je op tijd inschrijven voor de cursus.
You need to register for the course on time.
presenteren
"de resultaten presenteren" = present the results.
to present Ik presenteer mijn ideeën aan het team.
I present my ideas to the team.
vergaderen
"de hele ochtend vergaderen" — de Nederlandse volkssport op kantoor!
to have a meeting We vergaderen elke maandag om tien uur.
We have a meeting every Monday at ten o'clock.
overleggen
"even overleggen met" = consult with — het poldermodel-werkwoord!
to consult / to discuss Laten we even overleggen met de collega's.
Let's briefly consult with our colleagues.
bijscholen
Scheidbaar: "zich bijscholen" = upskill — bij + scholen: erbij leren!
to retrain / to upskill Werknemers moeten zich regelmatig bijscholen.
Employees must regularly upskill.
bevorderen
"de samenwerking bevorderen" = promote cooperation; op school: bevorderd naar de volgende klas!
to promote / to advance Het bedrijf bevordert interne groei.
The company promotes internal growth.
bereiken
"je doel bereiken" = reach your goal; "telefonisch bereikbaar" = reachable by phone!
to reach / to achieve We hebben ons doel bereikt.
We have reached our goal.
aansturen
Scheidbaar: "een team aansturen" = manage a team — sturen…aan!
to manage / to lead Zij stuurt een team van tien mensen aan.
She leads a team of ten people.
ambitieus
"ambitieuze plannen" = ambitious plans — maar doe wel normaal!
ambitious Ze is heel ambitieus en werkt hard.
She is very ambitious and works hard.
zelfstandig
"zelfstandig werken" = work independently; "zelfstandige" = self-employed (de zzp'er)!
independent / self-employed Zij werkt als zelfstandig ondernemer.
She works as an independent entrepreneur.
veeleisend
"een veeleisende baan" = a demanding job — veel + eisend!
demanding Het is een veeleisende baan.
It is a demanding job.
gestructureerd
"gestructureerd werken" = work in a structured way.
structured / organized Ze werkt heel gestructureerd en overzichtelijk.
She works in a very structured and organized way.
gemotiveerd
"een gemotiveerde student" = a motivated student.
motivated De studenten zijn heel gemotiveerd.
The students are very motivated.
bekwaam
"een bekwame vakman" = a skilled professional.
Synonyms: competent
competent / capable Zij is een bekwame lerares.
She is a competent teacher.
parttime
"parttime werken" — Nederland is wereldkampioen deeltijdwerk! Ook: in deeltijd.
Synonyms: in deeltijd
part-time Ik werk parttime, drie dagen per week.
I work part-time, three days per week.
fulltime
"een fulltime baan" = a full-time job — 36 tot 40 uur in Nederland.
Synonyms: voltijds
full-time Hij werkt fulltime bij een bank.
He works full-time at a bank.
tijdelijk
"een tijdelijke oplossing" = a temporary solution; "tijdelijk gesloten".
temporary Het is een tijdelijk contract.
It is a temporary contract.
vast
"een vast contract" = a permanent contract; "vaste klanten" = regulars!
permanent / fixed Ik heb een vast contract.
I have a permanent contract.
academisch
"een academische opleiding" = a university education.
academic Hij heeft een academische opleiding.
He has an academic education.
theoretisch
"theoretische kennis" = theoretical knowledge; "het theorie-examen" voor je rijbewijs!
theoretical De opleiding is zowel theoretisch als praktisch.
The education is both theoretical and practical.
praktisch
"praktische ervaring" = practical experience; "Praktisch!" = handy — hét Nederlandse compliment!
Synonyms: handig
practical De stage is heel praktisch.
The internship is very practical.
deskundig
"deskundig advies" = expert advice. De deskundige = the expert!
expert / knowledgeable We hebben deskundig personeel nodig.
We need expert staff.
geschikt
"geschikt voor de functie" = suitable for the position.
suitable / qualified Ben jij geschikt voor deze functie?
Are you suitable for this position?
stressvol
"een stressvolle periode" = a stressful period — tijd voor balans!
stressful Dit werk is heel stressend.
This work is very stressful.
op zoek naar werk
"Ik ben op zoek naar werk." = I'm looking for a job.
looking for work Ik ben op zoek naar een nieuwe baan.
I am looking for a new job.
met pensioen gaan
"volgend jaar met pensioen gaan" = retire next year — de AOW-leeftijd schuift op!
to retire Hij gaat volgend jaar met pensioen.
He is going to retire next year.
een opleiding volgen
"een opleiding tot verpleegkundige volgen" = train to be a nurse.
to pursue an education / to take a course Zij volgt een opleiding tot verpleegkundige.
She is pursuing an education to become a nurse.
ervaring opdoen
"ervaring opdoen in het buitenland" = gain experience abroad.
to gain experience Tijdens de stage doe je veel ervaring op.
During the internship you gain a lot of experience.
aan de slag
"Aan de slag!" = let's get to work! "aan de slag gaan met" = get started on.
getting to work / getting started We gaan meteen aan de slag.
We get to work right away.
stage lopen
"stage lopen bij een bedrijf" = intern at a company — lopen, letterlijk!
to do an internship Ik loop stage bij een advocatenkantoor.
I am doing an internship at a law firm.
van plan zijn
"Wat ben je van plan?" = what are you planning? "Ik ben van plan om…"
to plan / to intend Ik ben van plan om te solliciteren.
I plan to apply.
onder druk
"goed onder druk werken" = work well under pressure — cv-klassieker!
under pressure Ik werk goed onder druk.
I work well under pressure.
cum laude
"cum laude afstuderen" = graduate with honors — gemiddeld een 8 of hoger!
with honors Zij is cum laude afgestudeerd.
She graduated with honors.
in dienst vanformal
"in dienst van de gemeente" = employed by the municipality; "in dienst treden" = join!
employed by Zij is in dienst van de overheid.
She is employed by the government.
op de werkvloer
"op de werkvloer leren" = learn on the job — waar het écht gebeurt!
on the work floor / in practice Je leert het meeste op de werkvloer.
You learn the most on the work floor.
opleiden
Iemand de kennis en vaardigheden geven voor een beroep.
to train / to educate Het bedrijf leidt nieuwe medewerkers zelf op met een intern programma.
The company trains new employees itself with an internal programme.
aanvragen
Officieel vragen om iets te krijgen of te mogen.
to apply for / to request Je moet dit verlof minstens een maand van tevoren aanvragen.
You have to request this leave at least one month in advance.
toepassen
Kennis of een methode echt in de praktijk gebruiken.
to apply (knowledge) Tijdens mijn stage pas ik de theorie uit het college toe.
During my internship I apply the theory from the lecture.
aan de eisen voldoen
Precies hebben wat er voor een functie of opleiding gevraagd wordt.
to meet the requirements Zijn cv is sterk, maar hij voldoet niet aan alle eisen van de vacature.
His CV is strong, but he does not meet all the requirements of the vacancy.

This deck has 206 words in total — copy it to your library to study them all.

Grammar Guide (9)
Future Tense (Toekomende tijd)
Expressing future actions with zullen, gaan, or present tense
Ik zal morgen het rapport afmaken.
Zullen + infinitive (formal/promise): Ik zal je helpen. Wij zullen het doen. Gaan + infinitive (informal/plans): Ik ga morgen werken. Ze gaat studeren. Present tense + time word (very common): Ik werk morgen. Hij vertrekt volgende week. Conjugation of zullen: ik zal, jij zult/zal, hij zal, wij zullen, jullie zullen, zij zullen. Zullen implies certainty or promise; gaan implies intention or plan.
Conditional (Zou / Zouden)
Expressing hypothetical situations, wishes, and polite requests
Als ik meer tijd had, zou ik een cursus volgen.
Zou + infinitive (singular): Ik zou graag willen helpen. Hij zou het doen. Zouden + infinitive (plural): Wij zouden graag meedoen. Zij zouden komen. If-clauses: Als ik rijk was, zou ik een bedrijf starten. Polite requests: Zou u mij kunnen helpen? Zou je dat willen doen? Zou/zouden is the past tense of zullen, used for hypotheticals and politeness.
Subordinate Clauses (Bijzinnen)
Moving the verb to the end in dependent clauses
Ik weet dat hij morgen op kantoor werkt.
In subordinate clauses the conjugated verb goes to the END of the clause. Common triggers: dat (that), omdat (because), als (if/when), hoewel (although). More triggers: voordat (before), nadat (after), terwijl (while), zodat (so that). Example: Ik blijf thuis omdat ik ziek ben. Hij vertelde dat hij zou komen. With two verbs, the finite verb goes last: ...dat hij heeft gewerkt / ...dat hij wil werken.
Conjunctions & Connectors (Voegwoorden)
Linking clauses and sentences with coordinating and adverbial connectors
Hij werkt hard, maar hij vindt ook tijd voor zijn familie.
Coordinating (no inversion): en (and), maar (but), want (because), of (or), dus (so). Subordinating (verb to end): dat, omdat, als, hoewel, voordat, nadat, terwijl. Adverbial (with inversion): daarom (therefore), toch (yet), bovendien (moreover), trouwens. Paired: zowel...als (both...and), niet alleen...maar ook (not only...but also). Coordinating conjunctions don't change word order; adverbials cause subject-verb inversion.
Relative Clauses (Betrekkelijke bijzinnen)
Connecting clauses with die, dat, wie, or waar to describe nouns
De collega die mij hielp, is heel ervaren.
Die — for de-words and all plurals: De man die daar werkt. De boeken die ik las. Dat — for het-words (singular): Het bedrijf dat ik bezocht. Het rapport dat klaar is. Wie — for people after a preposition: De persoon met wie ik sprak. Waar — for things after a preposition (split): Het project waar ik aan werk. Verb goes to the end in relative clauses: De baan die ik graag zou willen hebben.
Passive Voice (Lijdende vorm)
Shifting focus from the doer to the action or result
Het rapport wordt geschreven door de financieel directeur.
Present passive: worden + past participle: Het rapport wordt geschreven. Past passive: werd/werden + past participle: Het rapport werd geschreven. Perfect passive: zijn + past participle (result): Het rapport is geschreven. Agent introduced by door: Het project is goedgekeurd door de directeur. Worden = action in progress; zijn = completed result. Er wordt hier hard gewerkt (impersonal).
Reported Speech (Indirecte rede)
Reporting what others said using tense shifts and dat/of-clauses
Hij zei dat hij ziek was. Ze vroeg of ik morgen kon komen.
Dutch has NO Konjunktiv (unlike German) — reported speech uses normal verb forms with tense shifts. Statement: zeggen dat + clause: Hij zei dat hij moe was. Ze vertelde dat ze had gestudeerd. Yes/no question: vragen of + clause: Ze vroeg of ik kwam. Hij vroeg of we tijd hadden. Tense shift: present → imperfectum: 'Ik ben ziek' → Hij zei dat hij ziek was. 'Ik heb het gedaan' → Hij zei dat hij het had gedaan. Word order: verb goes to end in dat/of-clause: Ze zei dat ze morgen zou komen. Hij vroeg of ik het wist.
Pluperfect (Voltooid verleden tijd)
Expressing past-before-past with had/was + past participle
Nadat ik had gegeten, ging ik naar mijn werk.
Form: had/was (imperfectum of hebben/zijn) + past participle at the end of the clause. Same hebben/zijn split as perfectum: had gemaakt, had gezien, was gegaan, was gekomen. Used for events BEFORE another past event: Toen ik aankwam, was de film al begonnen. Often with nadat: Nadat zij had gestudeerd, ging ze werken. Nadat hij was vertrokken, belde ik. The 'later' event uses imperfectum; the 'earlier' event uses voltooid verleden tijd.
Conditional Sentences (Voorwaardelijke zinnen)
If-then constructions for real, hypothetical, and past-counterfactual conditions
Als ik meer geld had, zou ik een huis kopen.
Type 1 (real/possible): Als + present, present: Als het regent, blijf ik thuis. Type 2 (hypothetical/unreal): Als + imperfectum, zou + infinitive: Als ik rijk was, zou ik reizen. Type 3 (past counterfactual): Als + voltooid verleden, zou + hebben/zijn + participle: Als ik dat had geweten, zou ik het anders hebben gedaan. Als can start or come mid-sentence: Ik zou komen als ik tijd had. Als je wilt, help ik je. Zou/zouden is the past of zullen — used for hypotheticals: Zou je me willen helpen?

More Dutch Decks

Dutch B1 — Society & Opinions

B1 204 words

Dutch B1 — Health & Lifestyle

B1 204 words

Dutch B1 — Media & Culture

B1 185 words

Dutch A2 — Conversations

A2 239 words

Dutch A2 — Travel

A2 203 words

Dutch A2 — Routines

A2 215 words

DocumentationPublic DecksAnki AlternativeContactPrivacyTerms