← Back to Public Decks · Dutch Decks · Dutch vocabulary test

Dutch A2 — Travel Official

Dutch words for travel (CEFR A2). Airport, hotel, restaurant, directions, transportation, sightseeing, and emergencies.

CEFR A2 — Elementary
At this level you can handle daily routines, describe your background. Vocabulary: ~1,200 words (cumulative).
Phrases you'll learn
How do you say “the airport” in Dutch?
“the airport” is “de luchthaven” in Dutch. For example: We moeten om zes uur op de luchthaven zijn. — We have to be at the airport at six o'clock.
How do you say “the flight” in Dutch?
“the flight” is “de vlucht” in Dutch. For example: De vlucht naar Londen duurt een uur. — The flight to London takes one hour.
How do you say “the passport” in Dutch?
“the passport” is “het paspoort” in Dutch. For example: Vergeet je paspoort niet! — Don't forget your passport!
How do you say “the luggage / baggage” in Dutch?
“the luggage / baggage” is “de bagage” in Dutch. For example: Mijn bagage is te zwaar. — My luggage is too heavy.
Dutch → English 203 words ~21 days at 10 words/day 0 downloads A2
No ratings No ratings by admin@wordsonrepeat.com Jun 10, 2026
Try studying — no account needed

A real study session, right now. No signup.

Report issue with this deck

Word List — click grammar notes to expand

WordTranslationExample
de luchthaven
Lucht + haven = luchthaven! Schiphol is de grootste van Nederland.
the airport We moeten om zes uur op de luchthaven zijn.
We have to be at the airport at six o'clock.
de vlucht
"een directe vlucht" = a direct flight; "de vlucht boeken".
the flight De vlucht naar Londen duurt een uur.
The flight to London takes one hour.
het paspoort
Het-woord: "paspoort of ID-kaart" — binnen de EU is de ID-kaart genoeg!
the passport Vergeet je paspoort niet!
Don't forget your passport!
de bagage
"handbagage" = carry-on; "de bagage ophalen" = pick up luggage.
the luggage / baggage Mijn bagage is te zwaar.
My luggage is too heavy.
de koffer
"de koffer inpakken" = pack the suitcase.
the suitcase Ik heb mijn koffer al ingepakt.
I have already packed my suitcase.
de rugzak
Rug + zak: "met de rugzak reizen" = backpacking!
the backpack Mijn rugzak is heel licht.
My backpack is very light.
het hotel
Het-woord: "een hotel boeken", "in het hotel overnachten".
the hotel We overnachten in een klein hotel.
We are staying overnight in a small hotel.
de reservering
"een reservering maken" = make a reservation; "op naam van…" = under the name of…
the reservation Ik heb een reservering voor twee nachten.
I have a reservation for two nights.
inchecken
Scheidbaar: "We checken om drie uur in." — bij hotel én vliegveld. En met de OV-chipkaart: inchecken in de trein!
to check in We kunnen na twee uur inchecken.
We can check in after two o'clock.
uitchecken
Scheidbaar: "vóór elf uur uitchecken" — en vergeet niet uit te checken in de trein!
to check out We moeten voor elf uur uitchecken.
We have to check out before eleven o'clock.
reserveren
"een tafel reserveren" = book a table.
Synonyms: boeken
to reserve / to book Ik wil een tafel reserveren voor vanavond.
I want to reserve a table for tonight.
boeken
"een reis boeken" = book a trip; ook meervoud van het boek!
Synonyms: reserveren
to book Heb je de vlucht al geboekt?
Have you booked the flight yet?
annuleren
"de reservering annuleren" = cancel the reservation; "gratis annuleren"!
to cancel Ik moet mijn reservering annuleren.
I have to cancel my reservation.
het menu
Het-woord: "Mag ik het menu?" — ook: de menukaart!
Synonyms: de menukaart
the menu Mag ik het menu zien?
May I see the menu?
de rekening
"De rekening, alstublieft!" "apart betalen" = split — going Dutch is hier gewoon normaal!
the bill / check Mag ik de rekening, alstublieft?
May I have the bill, please?
de fooi
"fooi geven" — in Nederland niet verplicht; afronden is prima!
the tip In Nederland is een fooi niet verplicht.
In the Netherlands a tip is not mandatory.
de ober
"de ober roepen" — beleefd met oogcontact, niet schreeuwen!
the waiter De ober brengt de drankjes.
The waiter brings the drinks.
het hoofdgerecht
Het-woord: hoofd + gerecht = main course.
the main course Als hoofdgerecht neem ik vis.
For the main course I will have fish.
het voorgerecht
Het-woord: voor + gerecht = starter.
the starter / appetizer De soep is een lekker voorgerecht.
The soup is a nice appetizer.
het nagerecht
Het-woord: na + gerecht; informeel: het toetje!
Synonyms: het toetje
the dessert Wilt u ook een nagerecht?
Would you also like a dessert?
het gerecht
Het-woord: "een typisch Nederlands gerecht" — stamppot! Ook: het gerecht = the court!
the dish / course Dit gerecht is heel populair.
This dish is very popular.
bestellen
"Mogen we bestellen?" = may we order? "online bestellen" = order online.
to order Ik wil graag bestellen.
I would like to order.
de kaart
Drie betekenissen: landkaart = map; bankpas = card; menukaart = menu — context!
the map / card / menu Heb je een kaart van de stad?
Do you have a map of the city?
de richting
"in de richting van" = in the direction of; "richting Amsterdam" = towards Amsterdam.
the direction In welke richting moet ik lopen?
In which direction should I walk?
de hoek
"om de hoek" = around the corner — dus heel dichtbij!
the corner Het cafe is om de hoek.
The cafe is around the corner.
het kruispunt
Het-woord: "bij het kruispunt rechtsaf" = right at the intersection.
the intersection / crossroads Sla linksaf bij het kruispunt.
Turn left at the intersection.
het stoplicht
Het-woord: "wachten voor het stoplicht" — ook fietsers hebben eigen stoplichten!
the traffic light Stop bij het stoplicht.
Stop at the traffic light.
de rotonde
"op de rotonde de tweede afslag" — Nederland is er dol op!
the roundabout Neem de tweede afslag bij de rotonde.
Take the second exit at the roundabout.
de afstand
"op loopafstand" = within walking distance; "afstand houden".
the distance Wat is de afstand tot het centrum?
What is the distance to the center?
de snelweg
Snel + weg: "de A2 richting Utrecht" — de snelwegen heten A + nummer!
the highway / motorway Neem de snelweg richting Amsterdam.
Take the highway towards Amsterdam.
de afslag
"de afslag nemen" = take the exit; "afslag gemist!" = missed the exit!
the exit (highway) De volgende afslag is Rotterdam.
The next exit is Rotterdam.
het centrum
Het-woord: "naar het centrum" = to the city center — volg de borden 'Centrum'!
the center / downtown Het museum is in het centrum.
The museum is in the center.
het plein
Het-woord: "de Dam" = het beroemdste plein van Nederland, in Amsterdam!
the square We ontmoeten elkaar op het plein.
We meet each other at the square.
de omgeving
"in de omgeving van" = in the vicinity of; "een mooie omgeving".
Synonyms: de buurt
the surroundings / area De omgeving van het hotel is heel mooi.
The area around the hotel is very beautiful.
de ingang
"bij de hoofdingang" = at the main entrance. Tegenovergestelde: de uitgang.
the entrance De ingang is aan de voorkant.
The entrance is at the front.
de uitgang
"de nooduitgang" = emergency exit; "naar de uitgang" = to the exit.
the exit Waar is de uitgang?
Where is the exit?
het perron
Het-woord: "de trein vertrekt van perron 5" — spoor en perron horen bij elkaar!
the platform De trein vertrekt van perron drie.
The train departs from platform three.
de vertraging
"tien minuten vertraging" = ten minutes delay — de NS-klassieker!
the delay De trein heeft tien minuten vertraging.
The train has a ten-minute delay.
het retour
Het-woord: "een retourtje Utrecht" = a return to Utrecht!
the return (ticket) Een retour naar Utrecht, alstublieft.
A return ticket to Utrecht, please.
de enkele reis
"een enkele reis Amsterdam" = a single to Amsterdam — enkel = single!
the one-way trip Een enkele reis naar Den Haag.
A one-way ticket to The Hague.
het spoor
Het-woord: "de trein op spoor 4b" — de Nederlandse Spoorwegen (NS)!
the track / rail De trein vertrekt vanaf spoor vijf.
The train departs from track five.
overstappen
Scheidbaar: "in Utrecht overstappen" = change trains at Utrecht — "Stap over in…"!
to transfer / to change (trains) Je moet in Leiden overstappen.
You have to transfer in Leiden.
instappen
Scheidbaar: "Instappen alstublieft!" — de conducteur fluit en je stapt in!
to board / to get in Alle passagiers mogen nu instappen.
All passengers may now board.
uitstappen
Scheidbaar: "bij de volgende halte uitstappen" = get off at the next stop.
to get off / to get out We moeten bij de volgende halte uitstappen.
We have to get off at the next stop.
de passagier
"passagiers voor vlucht KL605…" — de omroep op Schiphol!
the passenger Er zijn veel passagiers in de trein.
There are many passengers on the train.
de reiziger
"reizigers naar Utrecht" — zo noemt de NS je in de omroep!
the traveler De reizigers wachten op het perron.
The travelers are waiting on the platform.
de taxi
"een taxi bestellen" = order a taxi — of gewoon een app gebruiken!
the taxi Zullen we een taxi nemen?
Shall we take a taxi?
de reis
"Goede reis!" = have a good trip! "een verre reis" = a long journey.
the trip / journey De reis duurde vier uur.
The journey lasted four hours.
de bestemming
"de eindbestemming" = final destination; "met onbekende bestemming"!
the destination Wat is uw bestemming?
What is your destination?
de aankomst
"de aankomsttijd" = arrival time; aankomst en vertrek op het bord!
the arrival De aankomst is om tien uur.
The arrival is at ten o'clock.
het vertrek
Het-woord: "het vertrek is om tien uur"; ook: het vertrek = the room (formeel)!
the departure Het vertrek is vertraagd.
The departure is delayed.
de douane
"door de douane gaan" = go through customs — "iets aan te geven?"
the customs We moeten door de douane.
We have to go through customs.
het visum
Het-woord: "een visum aanvragen" = apply for a visa.
the visa Je hebt een visum nodig voor dat land.
You need a visa for that country.
de verzekering
"een reisverzekering afsluiten" = take out travel insurance — Nederlanders verzekeren álles!
the insurance Heb je een reisverzekering?
Do you have travel insurance?
het museum
Het-woord! Meervoud: musea. Rijksmuseum, Van Gogh — de museumkaart is goud waard!
the museum Het Rijksmuseum is heel beroemd.
The Rijksmuseum is very famous.
het monument
Het-woord: "het monument op de Dam" — voor de Dodenherdenking op 4 mei.
the monument Dit monument is meer dan honderd jaar oud.
This monument is more than a hundred years old.
de bezienswaardigheid
Letterlijk: waard om te bezien! "de bezienswaardigheden van Amsterdam".
the tourist attraction / sight Wat zijn de bezienswaardigheden in deze stad?
What are the sights in this city?
de toerist
"toeristen op de Wallen" — Amsterdam heeft er soms te veel, zegt Amsterdam!
the tourist Er zijn veel toeristen in Amsterdam.
There are many tourists in Amsterdam.
de rondleiding
"een rondleiding door het museum" = a guided tour — rond + leiden!
the guided tour De rondleiding begint om twee uur.
The guided tour starts at two o'clock.
de gids
"de gids vertelt" = persoon; "een reisgids" = guidebook!
the guide De gids vertelt over de geschiedenis.
The guide tells about the history.
de foto
"een foto maken" = take a photo — maken, niet nemen! "Mag ik een foto maken?"
the photo Mag ik een foto maken?
May I take a photo?
het uitzicht
Het-woord: "een prachtig uitzicht" = a beautiful view — al is Nederland plat!
the view Vanaf de toren heb je een prachtig uitzicht.
From the tower you have a beautiful view.
de toren
"de Domtoren in Utrecht" — de hoogste kerktoren van Nederland: 112 meter!
the tower De kerktoren is heel hoog.
The church tower is very high.
het kasteel
Het-woord: "het Muiderslot" — een echt Nederlands kasteel met slotgracht!
the castle We bezoeken een oud kasteel.
We visit an old castle.
de haven
"de haven van Rotterdam" — de grootste van Europa!
the harbor / port Rotterdam heeft een grote haven.
Rotterdam has a large harbor.
bezoeken
Verleden: bezocht. "een museum bezoeken" = visit a museum.
to visit We willen het museum bezoeken.
We want to visit the museum.
ontdekken
"de stad ontdekken" = discover the city; "Ik heb iets ontdekt!"
to discover Er valt veel te ontdekken in deze stad.
There is much to discover in this city.
reizen
"door Europa reizen" = travel through Europe; "reizen met de trein".
to travel Ik reis graag naar het buitenland.
I like to travel abroad.
overnachten
"in een hotel overnachten" = spend the night — over + nacht!
to stay overnight We overnachten in een hostel.
We stay overnight in a hostel.
inpakken
Scheidbaar: "Ik pak mijn koffer in." — pakken…in! Ook: cadeautjes inpakken = wrap!
to pack Ik moet nog mijn koffer inpakken.
I still have to pack my suitcase.
het buitenland
Het-woord: "naar het buitenland" = abroad — buiten + land!
abroad / foreign countries Hij werkt in het buitenland.
He works abroad.
de grens
"de grens met Duitsland" — binnen Schengen merk je er niks van!
the border We rijden over de grens naar België.
We drive across the border to Belgium.
het land
Het-woord: "een klein land" — Nederland! "op het land" = in the countryside.
the country / the land In welk land ben je geboren?
In which country were you born?
de stad
Meervoud: steden! "de grote steden": Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht.
the city Amsterdam is de hoofdstad van Nederland.
Amsterdam is the capital of the Netherlands.
het dorp
Het-woord: "een klein dorp" — met kerk, bakker en één café!
the village Mijn opa woont in een klein dorp.
My grandfather lives in a small village.
de politie
"de politie bellen" — noodnummer 112, geen spoed: 0900-8844!
the police Bel de politie!
Call the police!
de ambulance
"een ambulance bellen" — bel 112 bij nood!
the ambulance We moeten een ambulance bellen.
We have to call an ambulance.
de brandweer
Brand + weer (verdediging): "de brandweer komt eraan!"
the fire department De brandweer kwam snel.
The fire department came quickly.
het ongeluk
Het-woord: "een ongeluk gebeurt" — ook: pech, ongeluk = bad luck!
the accident Er was een ongeluk op de snelweg.
There was an accident on the highway.
de nooduitgang
Nood + uitgang: "de nooduitgang zoeken" — het groene bordje!
the emergency exit De nooduitgang is aan het einde van de gang.
The emergency exit is at the end of the corridor.
de eerste hulp
"naar de eerste hulp" — in het ziekenhuis: de SEH (spoedeisende hulp)!
the first aid / emergency room Hij is naar de eerste hulp gebracht.
He was taken to the emergency room.
gevaarlijk
"Pas op, gevaarlijk!" = watch out, dangerous! Het gevaar = the danger.
dangerous Zwemmen hier is gevaarlijk.
Swimming here is dangerous.
veilig
"een veilige buurt" = a safe neighborhood; "Kom veilig thuis!"
safe Dit is een veilige buurt.
This is a safe neighborhood.
de hulp
"hulp nodig hebben" = need help; "Bedankt voor de hulp!"
the help Help! Ik heb hulp nodig!
Help! I need help!
stelen
Verleden: stal, gestolen. "Mijn fiets is gestolen!" — dé Amsterdamse ervaring…
to steal Iemand heeft mijn portemonnee gestolen.
Someone stole my wallet.
verliezen
Verleden: verloor, verloren. "mijn sleutels verliezen"; ook: "de wedstrijd verliezen"!
to lose Ik heb mijn paspoort verloren.
I have lost my passport.
de pinautomaat
"geld halen bij de pinautomaat" = withdraw cash — pin + automaat!
the ATM Is er een pinautomaat in de buurt?
Is there an ATM nearby?
de creditcard
Let op: veel Nederlandse winkels accepteren GEEN creditcard — alleen pinpas!
the credit card Kan ik met een creditcard betalen?
Can I pay with a credit card?
pinnen
HET Nederlandse betaalwoord! "Kan ik pinnen?" — vaak zelfs: alléén pinnen, geen contant!
to pay by debit card Ik wil graag pinnen.
I would like to pay by debit card.
contant
"contant betalen" = pay cash — steeds zeldzamer in Nederland!
cash Ik betaal contant.
I pay cash.
wisselen
"geld wisselen" = exchange money; "Kunt u wisselen?" = can you give change?
to exchange (money) Waar kan ik geld wisselen?
Where can I exchange money?
de prijs
"Wat is de prijs?" — ook: de prijs = the prize: "een prijs winnen"!
the price Wat is de prijs per nacht?
What is the price per night?
de korting
"korting krijgen" = get a discount; "in de uitverkoop" = on sale!
the discount Is er korting voor studenten?
Is there a discount for students?
gratis
"gratis toegang" = free entrance — het mooiste Nederlandse woord!
free (of charge) De wifi is gratis in dit hotel.
The wifi is free in this hotel.
het wisselgeld
Het-woord: "Houd het wisselgeld maar!" = keep the change!
the change (money) Hier is uw wisselgeld.
Here is your change.
de bon
"de bon bewaren" = keep the receipt; "Bonnetje erbij?" — vraagt elke kassa!
Synonyms: het bonnetje
the receipt Kan ik de bon krijgen?
Can I get the receipt?
het terras
Het-woord: "op het terras zitten" — zodra de zon schijnt: terrasjesweer!
the terrace / patio Zullen we op het terras zitten?
Shall we sit on the terrace?
de bediening
"vriendelijke bediening" = friendly service; "bediening inbegrepen"!
the service De bediening was heel goed.
The service was very good.
het drankje
Het-woord (verkleinwoord!): "een drankje doen" = have a drink together — gezellig!
the drink Wilt u een drankje?
Would you like a drink?
het toetje
Het-woord: "Wat eten we als toetje?" — vla natuurlijk, de Nederlandse klassieker!
Synonyms: het nagerecht
the dessert Nemen jullie nog een toetje?
Will you have a dessert?
de salade
"een frisse salade" = a fresh salad.
the salad Ik neem een salade als voorgerecht.
I will have a salad as a starter.
het broodje
Het-woord: "een broodje gezond" = healthy sandwich — dé Nederlandse lunch!
the sandwich / roll Ik wil een broodje kaas.
I want a cheese sandwich.
de friet
"friet met mayo" — patat of friet? De grote noord-zuid-discussie van Nederland!
Synonyms: de patat
the fries Een portie friet met mayonaise.
A portion of fries with mayonnaise.
de saus
"Welke saus erbij?" — mayo, ketchup, satésaus, of alles: patatje oorlog!
the sauce Welke saus wilt u erbij?
Which sauce would you like with it?
vegetarisch
"een vegetarisch gerecht" — de vega-opties zijn overal in Nederland!
vegetarian Heeft u vegetarische gerechten?
Do you have vegetarian dishes?
de allergie
"een allergie voor noten" = a nut allergy — meld het bij de bestelling!
the allergy Ik heb een notenallergie.
I have a nut allergy.
proeven
"Mag ik even proeven?" = can I taste? "kaas proeven op de markt"!
to taste Wil je dit eens proeven?
Would you like to taste this?
de parkeerplaats
"een parkeerplaats zoeken" — in Amsterdam: veel succes en veel geld!
the parking lot / space Is er een parkeerplaats bij het hotel?
Is there a parking lot at the hotel?
de benzine
"benzine tanken" — de Nederlandse benzine is van de duurste van Europa!
the gasoline / petrol We moeten tanken, we hebben geen benzine meer.
We need to refuel, we are out of gas.
het tankstation
Het-woord: "stoppen bij het tankstation" = stop at the gas station.
the gas station Het tankstation is twee kilometer verderop.
The gas station is two kilometers ahead.
huren
"een fiets huren" = rent a bike — dé toeristenactiviteit! "een huis huren".
to rent Ik wil een auto huren.
I want to rent a car.
verdwalen
"Ik ben verdwaald!" = I'm lost! — in de grachtengordel gebeurt het zo!
to get lost We zijn verdwaald in de stad.
We got lost in the city.
de weg vragen
"Mag ik u de weg vragen?" — Nederlanders antwoorden graag, vaak in het Engels!
to ask for directions Ik ga de weg vragen aan iemand.
I will ask someone for directions.
de plattegrond
Plat + grond: "een plattegrond van de stad" = a city map.
the (city) map Heb je een plattegrond van het centrum?
Do you have a map of the center?
de oversteekplaats
"bij de oversteekplaats oversteken" — het zebrapad!
Synonyms: het zebrapad
the crosswalk / crossing Steek over bij de oversteekplaats.
Cross at the crosswalk.
de stoep
"op de stoep lopen" — en niet op het fietspad, anders wordt er gebeld!
the sidewalk / pavement Loop op de stoep, niet op de weg.
Walk on the sidewalk, not on the road.
het fietspad
Het-woord: 35.000 km fietspad in Nederland! Rood asfalt = van de fietsers — niet op lopen!
the bicycle path Nederland heeft overal fietspaden.
The Netherlands has bicycle paths everywhere.
de OV-chipkaart
Dé kaart voor bus, tram en trein: inchecken bij het instappen, uitchecken bij het uitstappen — vergeet het niet!
the public transport card Je hebt een OV-chipkaart nodig voor de bus.
You need a public transport card for the bus.
de dienstregeling
"de dienstregeling van de NS" — check de app voor vertragingen!
the timetable / schedule Ik bekijk de dienstregeling online.
I check the timetable online.
de verbinding
"een goede verbinding" = a good connection — trein én internet!
the connection Is er een directe verbinding naar Schiphol?
Is there a direct connection to Schiphol?
verderop
"De winkel is verderop." = the shop is further ahead.
further on / ahead Het hotel is een stukje verderop.
The hotel is a bit further on.
afslaan
Scheidbaar: "Sla hier linksaf!" = turn left here! — slaan…af.
to turn (direction) Sla rechtsaf bij de kerk.
Turn right at the church.
de fietsverhuur
"fietsverhuur bij het station" — huur een fiets en voel je Nederlander!
the bicycle rental Er is een fietsverhuur bij het station.
There is a bicycle rental at the station.
het eiland
Het-woord: "de Waddeneilanden" — Texel, Terschelling… mét het wad ertussen: UNESCO!
the island Texel is een mooi eiland.
Texel is a beautiful island.
het meer
Het-woord: "het IJsselmeer" — ooit zee, nu meer, dankzij de Afsluitdijk! Ook: meer = more!
the lake We zwemmen in het meer.
We swim in the lake.
de rivier
"de grote rivieren": Rijn, Maas, Waal — ze maken Nederland tot delta!
the river De Rijn is een lange rivier.
The Rhine is a long river.
het bos
Het-woord: "wandelen in het bos" — de Veluwe is het grootste bos van Nederland!
the forest We wandelen door het bos.
We walk through the forest.
de berg
"bergen in Nederland?" — de Vaalserberg: 322 meter, en dat noemen we een berg!
the mountain Nederland heeft geen echte bergen.
The Netherlands has no real mountains.
de kust
"aan de kust" = at the coast — duinen, strand en altijd wind!
the coast De Nederlandse kust is prachtig.
The Dutch coast is beautiful.
de balie
"melden bij de balie" = report to the desk — bij hotel, ziekenhuis, gemeente.
the counter / desk U kunt vragen stellen aan de balie.
You can ask questions at the counter.
de douche
"een kamer met douche", "onder de douche" = in the shower.
the shower Is er een douche op de kamer?
Is there a shower in the room?
de airconditioning
"met airconditioning" — in Nederland zeldzaam: het is toch nooit warm (zeiden ze vroeger)!
Synonyms: de airco
the air conditioning De kamer heeft airconditioning.
The room has air conditioning.
beroemd
"beroemd om" = famous for: "Nederland is beroemd om zijn molens en tulpen!"
Synonyms: bekend
famous Het Anne Frank Huis is beroemd.
The Anne Frank House is famous.
prachtig
"Prachtig!" = magnificent! — een trap hoger dan mooi.
Synonyms: schitterend, mooi
magnificent / gorgeous Het uitzicht is prachtig.
The view is magnificent.
de wachtrij
"in de wachtrij staan" — bij het Van Gogh Museum: online tickets kopen!
Synonyms: de rij
the waiting line / queue De wachtrij voor het museum is heel lang.
The queue for the museum is very long.
de toegangsprijs
Toegang + prijs: "de toegangsprijs van het museum".
the admission price Wat is de toegangsprijs?
What is the admission price?
het verkeer
Het-woord: "druk verkeer" = heavy traffic; fietsverkeer heeft vaak voorrang!
the traffic Er is veel verkeer op de snelweg.
There is a lot of traffic on the highway.
de file
"in de file staan" = to be stuck in traffic — dagelijkse kost op de A4! Uitspraak: [fiele].
the traffic jam Er staat een lange file op de A2.
There is a long traffic jam on the A2.
het rijbewijs
Het-woord: rij + bewijs: "je rijbewijs halen" = get your license — duur in Nederland!
the driver's license Heb je je rijbewijs bij je?
Do you have your driver's license with you?
de gordel
"gordel om!" = seatbelt on! — verplicht, voor en achter.
the seatbelt Doe je gordel om.
Put on your seatbelt.
de snelheid
"maximumsnelheid 100" — overdag op de snelweg, voor het stikstofbeleid!
the speed De maximumsnelheid is honderd kilometer per uur.
The maximum speed is one hundred kilometers per hour.
de camping
"op de camping staan" — de Nederlander en zijn caravan: onafscheidelijk!
the campsite We overnachten op een camping.
We stay overnight at a campsite.
de tent
"de tent opzetten" = pitch the tent; gíría: "een leuke tent" = a nice place/bar!
the tent We slapen in een tent.
We sleep in a tent.
het hostel
Het-woord: "een bed in een hostel" — goedkoop en gezellig!
the hostel Het hostel is goedkoper dan een hotel.
The hostel is cheaper than a hotel.
het loket
Het-woord: "bij het loket" = at the counter — steeds vaker: alleen automaten!
the ticket window / counter Koop je kaartje bij het loket.
Buy your ticket at the ticket window.
landen
"Het vliegtuig landt op Schiphol." = the plane lands at Schiphol.
to land Het vliegtuig landt over twintig minuten.
The airplane lands in twenty minutes.
opstijgen
Scheidbaar: "Het vliegtuig stijgt op." — stijgen…op!
to take off (airplane) We stijgen op over vijf minuten.
We take off in five minutes.
inclusief
"inclusief ontbijt" = breakfast included — check het altijd!
including / inclusive Is het ontbijt inclusief?
Is breakfast included?
de wandeling
"een wandeling maken" = go for a walk — het ommetje na het eten!
the walk / hike We maken een wandeling langs de kust.
We take a walk along the coast.
het platteland
Het-woord: plat + land — letterlijk! Koeien, weilanden en verre horizonten.
the countryside Het Nederlandse platteland is heel groen.
The Dutch countryside is very green.
de dijk
Zonder dijken geen Nederland! De Afsluitdijk: 32 km lang. "God schiep de aarde, de Nederlanders Nederland!"
the dike We wandelen over de dijk.
We walk along the dike.
de molen
Hét symbool van Nederland! Kinderdijk: 19 molens, UNESCO — ze maalden het water weg!
the windmill De molens van Kinderdijk zijn beroemd.
The windmills of Kinderdijk are famous.
de tulp
Dé Nederlandse bloem — uit Turkije! De tulpenvelden en de Keukenhof bloeien in april-mei.
the tulip De tulpen bloeien in april.
The tulips bloom in April.
de polder
Drooggemalen land onder zeeniveau — het poldermodel = ook: Nederlands overlegcultuur!
the polder Nederland heeft veel polders.
The Netherlands has many polders.
verkennen
"de stad verkennen" = explore the city.
Synonyms: ontdekken
to explore We verkennen de oude stad.
We explore the old city.
genieten
Verleden: genoot, genoten. "genieten van" = enjoy: "Geniet ervan!" = enjoy it!
to enjoy Ik geniet van de vakantie.
I enjoy the vacation.
aanraden
Scheidbaar: "Ik raad het aan!" = I recommend it! "een aanrader" = a must!
Synonyms: adviseren
to recommend Ik raad dit restaurant aan.
I recommend this restaurant.
vertrekken
Verleden: vertrok, vertrokken. "De trein vertrekt om…" = the train departs at…
to depart / to leave De trein vertrekt over tien minuten.
The train departs in ten minutes.
aankomen
Scheidbaar: "We komen om vijf uur aan." — komen…aan! Ook: aankomen = gain weight!
to arrive We komen om drie uur aan.
We arrive at three o'clock.
terugkomen
Scheidbaar: "Wanneer kom je terug?" = when are you coming back?
to come back / to return We komen volgende week terug.
We come back next week.
toeristisch
"erg toeristisch" = very touristy — Giethoorn en de Zaanse Schans!
touristic Dit is een heel toeristisch gebied.
This is a very touristic area.
historisch
"het historische centrum" = the historical center — elke Nederlandse stad heeft er één!
historical De historische binnenstad is prachtig.
The historical city center is beautiful.
modern
"moderne architectuur" — Rotterdam is dé moderne stad van Nederland!
modern Het hotel is heel modern.
The hotel is very modern.
comfortabel
"een comfortabel hotel" = a comfortable hotel.
comfortable De hotelkamer is heel comfortabel.
The hotel room is very comfortable.
op vakantie
"op vakantie gaan/zijn" = go/be on vacation — drie weken Frankrijk!
on vacation We gaan op vakantie naar Italië.
We are going on vacation to Italy.
goede reis
"Goede reis en veel plezier!" = have a good trip and have fun!
good trip / bon voyage Goede reis! Tot over twee weken.
Have a good trip! See you in two weeks.
met het openbaar vervoer
"met het openbaar vervoer reizen" — het OV: trein, bus, tram, metro!
by public transport Ik reis altijd met het openbaar vervoer.
I always travel by public transport.
fotograferen
"de molens fotograferen" — of gewoon: een foto maken!
Synonyms: een foto maken
to photograph Ik fotografeer graag oude gebouwen.
I like to photograph old buildings.
afrekenen
Scheidbaar: "Mogen we afrekenen?" = can we pay? — bij kassa en restaurant!
Synonyms: betalen
to pay the bill Mag ik afrekenen, alstublieft?
May I pay the bill, please?
terugkerenformal
"naar huis terugkeren" = return home — formeler dan terugkomen.
Synonyms: terugkomen
to return We keren morgen terug naar huis.
We return home tomorrow.
ophalen
Scheidbaar: "Ik haal je op van het station!" = I'll pick you up — halen…op!
to pick up Mijn vriend haalt me op van het station.
My friend picks me up from the station.
parkeren
"de auto parkeren" — betaald parkeren bijna overal; fietsen parkeer je in het rek!
to park Je kunt hier gratis parkeren.
You can park here for free.
navigeren
"navigeren met de telefoon" = navigate with your phone.
to navigate Ik navigeer met mijn telefoon.
I navigate with my phone.
ver
"Is het ver?" = is it far? "ver weg" = far away — in Nederland is niks écht ver!
far Het strand is niet ver.
The beach is not far.
dichtbij
"Het is dichtbij." = it's close — alles is dichtbij met de fiets!
Synonyms: vlakbij
close / nearby Het station is dichtbij.
The station is nearby.
gesloten
"Gesloten op maandag" = closed on Mondays — musea vaak ook!
Synonyms: dicht
closed Het restaurant is vandaag gesloten.
The restaurant is closed today.
heen en terug
"heen en terug naar Utrecht" = there and back — een retourtje!
round trip Een kaartje heen en terug naar Amsterdam.
A round-trip ticket to Amsterdam.
te laat
"Sorry dat ik te laat ben!" = sorry I'm late — in Nederland echt not done!
too late We zijn te laat voor de trein.
We are too late for the train.
op tijd
"precies op tijd" = right on time — de Nederlandse standaard: 5 minuten te vroeg!
on time De trein vertrekt altijd op tijd.
The train always departs on time.
aan de linkerkant
"aan de linkerkant van de straat" = on the left side of the street.
on the left side Het hotel is aan de linkerkant.
The hotel is on the left side.
internationaal
"een internationale trein" — de Thalys/Eurostar naar Parijs!
international Schiphol is een internationale luchthaven.
Schiphol is an international airport.
lokaal
"lokale producten" = local products — van de boerenmarkt!
local We eten bij een lokaal restaurant.
We eat at a local restaurant.
typisch
"typisch Nederlands" = typically Dutch — fietsen in de regen met een kind voorop!
typical Dit is een typisch Nederlands gerecht.
This is a typical Dutch dish.
bekend
"een bekende Nederlander" = a celebrity (BN'er)! "Dat klinkt bekend." = sounds familiar.
Synonyms: beroemd
well-known / famous Amsterdam is bekend om de grachten.
Amsterdam is famous for the canals.
vlakbij
"vlakbij het station" = right by the station.
Synonyms: dichtbij
very close / right nearby Het strand is vlakbij het hotel.
The beach is very close to the hotel.
onderweg
"Ik ben onderweg!" = I'm on my way! "onderweg iets eten".
on the way / en route We stoppen onderweg voor koffie.
We stop on the way for coffee.
met de trein
"met de trein reizen" — sneller dan de auto, zeker in de spits!
by train Ik reis met de trein naar Utrecht.
I travel by train to Utrecht.
voor het eerst
"voor het eerst in Amsterdam" = in Amsterdam for the first time!
for the first time Ik ben voor het eerst in Amsterdam.
I am in Amsterdam for the first time.
links afslaan
"Bij het stoplicht links afslaan." = turn left at the traffic light.
to turn left Bij het stoplicht moet je links afslaan.
At the traffic light you have to turn left.
de rekening graag
"De rekening graag!" — kort en beleefd afrekenen.
the bill please De rekening graag! We willen betalen.
The bill please! We'd like to pay.
bezichtigen
Ergens rondkijken om het goed te bekijken.
to view / to tour (a sight) Morgen bezichtigen wij het kasteel en daarna drinken we koffie.
Tomorrow we will tour the castle and afterwards we drink coffee.
rondreizen
Van plaats naar plaats reizen in een land of gebied.
to travel around Wij reizen deze zomer drie weken met de trein door Spanje rond.
This summer we travel around Spain for three weeks by train.
oversteken
Van de ene kant van de weg naar de andere kant lopen.
to cross (a street) Je moet hier bij de oversteekplaats voorzichtig de straat oversteken.
You have to cross the street carefully here at the crossing.
zonnig
Met veel zon en bijna geen wolken.
sunny Het weer aan de kust is vandaag zonnig en heel aangenaam.
The weather at the coast is sunny and very pleasant today.
bewolkt
Met veel wolken aan de hemel.
cloudy Het is bewolkt, dus we nemen onze jassen mee naar het strand.
It is cloudy, so we take our coats with us to the beach.
ruim
Met veel plaats, niet klein of krap.
spacious / roomy Onze hotelkamer is ruim en heeft een mooi uitzicht op de haven.
Our hotel room is spacious and has a nice view of the harbour.
avontuurlijk
Graag nieuwe en spannende dingen doen op reis.
adventurous Mijn broer is avontuurlijk en slaapt liever in een tent dan in hotels.
My brother is adventurous and would rather sleep in a tent than in hotels.
gastvrij
Vriendelijk voor gasten en bezoekers.
hospitable / welcoming De mensen in dat kleine dorp waren heel gastvrij voor de toeristen.
The people in that small village were very hospitable to the tourists.
levendig
Druk en vrolijk, met veel mensen en beweging.
lively / bustling Het plein in het centrum is 's avonds levendig en vol terrassen.
The square in the centre is lively and full of terraces in the evening.
overvol
Zo vol dat er echt geen plaats meer is.
overcrowded / packed De trein naar Amsterdam was vanochtend overvol door de vertraging.
The train to Amsterdam was overcrowded this morning because of the delay.
buitenlands
Uit een ander land dan waar je zelf woont.
foreign Voor een buitenlandse reis heb je een geldig paspoort nodig.
For a foreign trip you need a valid passport.
afgelegen
Ver van de stad en van andere huizen.
remote / secluded Wij overnachten in een afgelegen huisje midden in het bos.
We stay overnight in a remote cottage in the middle of the forest.
bezet
Al door iemand anders gebruikt of gereserveerd.
occupied / taken Sorry, deze plaats is bezet, maar daar achterin is er nog eentje vrij.
Sorry, this seat is taken, but there is still one at the back.

More Dutch Decks

Dutch A2 — Conversations

A2 239 words

Dutch A2 — Routines

A2 215 words

Dutch B1 — Society & Opinions

B1 204 words

Dutch A1 — Essentials

A1 260 words

Dutch A1 — Daily Life

A1 242 words

Dutch B1 — Work & Education

B1 206 words

DocumentationPublic DecksAnki AlternativeContactPrivacyTerms